Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR4264

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-10-2004
Datum publicatie
20-10-2004
Zaaknummer
200405071/1 en 200405071/4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 mei 2004, kenmerk WM/1790, heeft verweerder geweigerd krachtens de Wet milieubeheer aan [appellante] een vergunning te verlenen voor het oprichten van een paardenhouderij op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Gemert-Bakel, sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 10 mei 2004 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200405071/1 en 200405071/4.

Datum uitspraak: 11 oktober 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellante], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 4 mei 2004, kenmerk WM/1790, heeft verweerder geweigerd krachtens de Wet milieubeheer aan [appellante] een vergunning te verlenen voor het oprichten van een paardenhouderij op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Gemert-Bakel, sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 10 mei 2004 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 17 juni 2004, bij de Raad van State ingekomen op 21 juni 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 6 augustus 2004, bij de Raad van State ingekomen op 10 augustus 2004, heeft appellante de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 september 2004, waar appellante in persoon en bijgestaan door mr. W.A. Braams, advocaat te Helmond, en verweerder, vertegenwoordigd door E. Kramer en P. van Boxtel, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.    Overwegingen

2.1.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

   Ingevolge artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer betrekt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval de met betrekking tot de inrichting en het gebied waar de inrichting zal zijn of is gelegen, redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen die van belang zijn met het oog op de bescherming van het milieu.

2.2.    Appellante betoogt dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit ten onrechte de toekomstige uitbreiding van de nabijgelegen camping heeft betrokken.

2.3.    Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de inrichting waarvoor vergunning is aangevraagd, is gelegen op tenminste 100 meter van de naastgelegen camping. Volgens verweerder wordt als gevolg van de beoogde uitbreiding van deze camping, als gevolg waarvan de afstand zou afnemen tot ongeveer 50 meter, niet voldaan aan de ter voorkoming van stankhinder minimaal in acht te nemen afstand. Nu op 1 november 2002 voor de beoogde uitbreiding van de naastgelegen camping een aanvraag met een plankaart voor de wijziging van het bestemmingsplan is ingediend, waarvan een gewijzigde indiening heeft plaatsgevonden in april 2003, en de publicatie van het voorontwerp bestemmingsplan hiervan op 5 december 2003, dient deze uitbreiding volgens verweerder te worden beschouwd als een redelijkerwijs te verwachten ontwikkeling in de zin van artikel 8.8, eerste lid en onder c, van de Wet milieubeheer. Hij heeft hierin aanleiding gezien de gevraagde vergunning te weigeren.

2.4.    Ter zitting is gebleken dat voor de beoogde uitbreiding van de naastgelegen camping op 14 maart 2004 een vergunning krachtens de Wet op de Openluchtrecreatie is aangevraagd. Omdat de beoogde uitbreiding van deze camping in strijd is met het vigerende bestemmingsplan, kan die vergunning niet worden verleend en heeft verweerder een procedure voor het wijzigen van het bestemmingsplan opgestart. In dit verband heeft verweerder ter zitting verklaard dat geen zekerheid bestaat dat het op 5 december 2003 gepubliceerde voorontwerp bestemmingsplan, dat in de beoogde uitbreiding van de camping voorziet, in ongewijzigde vorm tot een (gewijzigd) bestemmingsplan leidt.

   Gezien het vorenstaande is de Voorzitter van oordeel dat de beoogde uitbreiding van de naastgelegen camping geen redelijkerwijs te verwachten ontwikkeling als bedoeld in artikel 8.8, eerste lid en onder c, van de Wet milieubeheer is, omdat het vigerende bestemmingsplan deze uitbreiding niet toestaat en de uitkomst van de planologische procedure, die de realisering van de uitbreidingsplannen van de camping mogelijk moet maken, ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog niet vast stond en zelfs nu nog niet is te voorspellen. Gelet hierop heeft verweerder ten onrechte de mogelijke uitbreidingsplannen van de naastgelegen camping bij de beslissing op de onderhavige aanvraag voor de oprichting van de paardenhouderij betrokken.

2.5.    De Voorzitter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en dat ook overigens geen beletsel bestaat om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in hoofdzaak.

2.6.    Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

2.7.    Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.8.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel van 4 mei 2004, kenmerk WM/1790;

III.    wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af;

IV.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep en het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1017,27, waarvan € 966,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de gemeente Gemert-Bakel te worden betaald aan appellante;

V.    gelast dat de gemeente Gemert-Bakel aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep en het verzoek betaalde griffierecht (€ 272,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Beekhuis    w.g. Plambeck

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2004

159-396.