Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR4262

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-10-2004
Datum publicatie
20-10-2004
Zaaknummer
200406472/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 juli 2004, kenmerk 2004/7031, heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen vanwege het zonder de daarvoor ingevolge de Wet milieubeheer vereiste vergunning in werking zijn van een zweefvliegveld op het perceel Vorstenbosscheweg 10 te Nistelrode.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200406472/1.

Datum uitspraak: 11 oktober 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekers], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Bernheze,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 juli 2004, kenmerk 2004/7031, heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen vanwege het zonder de daarvoor ingevolge de Wet milieubeheer vereiste vergunning in werking zijn van een zweefvliegveld op het perceel Vorstenbosscheweg 10 te Nistelrode.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bezwaar gemaakt.

Bij brief van 29 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen op 2 augustus 2004, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 27 september 2004, waar verzoekers, van wie [naam een der verzoekers] in persoon, en bijgestaan door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door L.F.M. van den Bogaard, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is [partij] in persoon en bijgestaan door R.M. van Bemmel, advocaat te Breda, daar gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Voor het zweefvliegveld is bij besluit van 13 januari 2004 krachtens de Wet milieubeheer een oprichtingsvergunning verleend. Dit besluit is bij uitspraak van de Voorzitter van 20 april 2004, in zaak nr. 200401847/2, geschorst omdat niet vaststaat dat op zondagen aan de geluidvoorschriften zal kunnen worden voldaan.    

   Verzoekers hebben vervolgens verzocht om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen.

   Verweerder heeft dit verzoek bij het thans bestreden besluit afgewezen. Hij heeft daarbij overwogen dat het gebrek dat tot de schorsing heeft geleid kan worden gerepareerd. Verweerder is voornemens een nieuw akoestisch onderzoek in te stellen. Hij meent dat de huidige situatie binnen afzienbare tijd te legaliseren is.

2.2.    Verzoekers zijn van mening dat verweerder het verzoek om handhaving niet had mogen afwijzen. Volgens hen bestaat er geen concreet uitzicht op legalisatie. Zij wijzen op het rapport van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening, dat is uitgebracht in het kader van het beroep tegen het besluit tot vergunningverlening. In dit deskundigenbericht worden kanttekeningen geplaatst bij de juistheid van de akoestische gegevens die deel uitmaken van de aanvraag om vergunning.

2.3.    Vast staat dat het zweefvliegveld, als gevolg van de schorsing van het besluit tot vergunningverlening, zonder de daartoe ingevolge de Wet milieubeheer vereiste vergunning in werking is, zodat verweerder terzake handhavend kon optreden.

   Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4.    Ook als op basis van het door verzoekers genoemde deskundigenbericht zou moeten worden geconcludeerd dat het besluit tot vergunningverlening van 13 januari 2004 niet (geheel) in stand zal kunnen blijven in de beroepsprocedure, is daarmee niet aangetoond dat voor het zweefvliegveld geen vergunning zal kunnen worden verleend. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is de Voorzitter van oordeel dat er, zo nodig op basis van een nieuw besluit tot vergunningverlening, gesproken kan worden van een situatie waarin concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Verweerder heeft gelet hierop in redelijkheid kunnen besluiten om af te zien van toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen. Hierbij neemt de Voorzitter in aanmerking dat niet aannemelijk is dat verzoekers, die allen op ruime afstand van de inrichting wonen, een zodanige hinder ondervinden dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen tot een ander oordeel had moeten komen.

2.5.    Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen    w.g. Oudenaller

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2004

179-441.