Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR3815

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-10-2004
Datum publicatie
13-10-2004
Zaaknummer
200400079/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 januari 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Soest (hierna: het college) een aanvraag van appellante om subsidieverlening ten bedrage van € 86.064,00, ten behoeve van de instandhouding van 48 gerealiseerde opvangplaatsen op het kinderdagverblijf Mickey’s Orlando te Soest, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200400079/1.

Datum uitspraak: 13 oktober 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Mickey’s I B.V.", gevestigd te Amersfoort,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 25 november 2003 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Soest.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 7 januari 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Soest (hierna: het college) een aanvraag van appellante om subsidieverlening ten bedrage van € 86.064,00, ten behoeve van de instandhouding van 48 gerealiseerde opvangplaatsen op het kinderdagverblijf Mickey’s Orlando te Soest, afgewezen.

Bij besluit van 4 april 2003 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, doch besloten subsidie te verlenen ten bedrage van € 42.446,40.

Bij uitspraak van 25 november 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 januari 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 3 februari 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 5 maart 2004 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 september 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. J.E. van der Wolf, advocaat te Soest, en het college, vertegenwoordigd door M.C. van der Linden en mr. K.C.P. Haagen, gemachtigden, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Regeling uitbreiding kinderopvang en buitenschoolse opvang (hierna: de Regeling) kan aan een gemeente een uitkering worden verstrekt ten behoeve van de in de periode van 1 januari 1997 tot en met 31 december 2003 gerealiseerde opvangplaatsen.

   De, ingevolge artikel 2, vijfde lid, aanhef en onder d, van de Regeling, voorzover thans van belang, mogelijke uitkering (de zogenoemde instandhoudingsbijdrage) bedraagt € 1768,60 per opvangplaats die uiterlijk 31 december 2002 is gerealiseerd en op 31 december 2003 nog bestaat.

2.2.    Ingevolge de Algemene Subsidieverordening Welzijn (zoals bij besluit van 14/15 oktober 1998 door de raad van de gemeente Soest vastgesteld) is het college bevoegd op de onderhavige subsidieaanvraag te beslissen.

2.3.    Bij besluit van 25 april 2003 heeft het college het bezwaar van appellante ongegrond verklaard, omdat “in het besluit van het ministerie van VWS met betrekking tot de regeling instandhoudingsbijdrage niet staat vermeld hoe de gemeenten deze financiële bijdrage binnen haar gemeente zou moeten inzetten”, doch heeft haar alsnog subsidie verleend voor de instandhouding van de 48 gerealiseerde opvangplaatsen ten bedrage van € 884,30 per gerealiseerde opvangplaats. Dit bedrag is de helft van het bedrag per gerealiseerde opvangplaats, als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, onder d, van de Regeling.

2.4.    De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen reden is om te oordelen dat het college niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen, aangezien haar ter zitting was gebleken dat het college alle kinderdagverblijven een instandhoudingsbijdrage heeft verleend ten bedrage van € 884,30 per gerealiseerde opvangplaats, omdat men het overige geld wil besteden aan buitenschoolse opvang. Verder heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de liquiditeit van appellante door de lagere bijdrage niet in gevaar is gekomen.

2.5.    Het betoog van appellante dat de rechtbank heeft miskend dat appellante een directe aanspraak heeft op het volledige bedrag per gerealiseerde opvangplaats, faalt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de Regeling, mede gelet op de daarbij behorende toelichting, het college niet verplicht de volledige instandhoudingsbijdrage één op één door te sluizen naar de kinderdagverblijven. Er is geen grond voor het oordeel dat appellante direct aanspraak zou kunnen maken op het volledige bedrag per gerealiseerde opvangplaats.

2.6.    De Afdeling begrijpt het hoger beroep van appellante aldus dat zij voorts betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de beslissing op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd. Anders dan het college meent, houdt de vrijheid die de Regeling biedt bij het bepalen van de hoogte van de toe te kennen instandhoudingsbijdrage per gerealiseerde opvangplaats niet in dat het college niet behoefde te motiveren waarom het ervoor heeft gekozen om de helft van het bedrag genoemd in de Regeling uit te keren. Nu voorts niet is gebleken dat het college het besluit heeft doen steunen op een beleidsregel, slaagt het betoog van appellante. De omstandigheid dat aan alle kinderdagverblijven die een instandhoudingsbijdrage ontvangen, hetzelfde bedrag per gerealiseerde opvangplaats is toegekend, bevat geen verklaring voor het besluit om in afwijking van de doelstelling van de Regeling slechts de helft van de aan de gemeente toegekende bijdrage aan de kinderopvanginstellingen uit te keren en geeft daarom, anders dan de rechtbank heeft overwogen, geen aanleiding voor een ander oordeel.

2.7.    Het hoger beroep is, gelet op het in 2.6. overwogene, gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep alsnog gegrond verklaren en de beslissing op bezwaar, gelet op het vorenoverwogene, vernietigen voorzover daarin het bezwaar van appellante ongegrond is verklaard. Het college dient in zoverre een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellante te nemen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

2.8.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 25 november 2003, SBR 03/1405;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Soest van 4 april 2003, voorzover het de ongegrondverklaring van het bezwaar van appellante betreft;

V.    gelast dat de gemeente Soest aan appellante het door haar voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht (€ 580,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens    w.g. Van Meurs-Heuvel

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2004

47-424.