Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR3814

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-10-2004
Datum publicatie
13-10-2004
Zaaknummer
200400464/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 juni 2001 heeft appellant (hierna: het college) aan het Katholiek Sociaal Cultureel Centrum voor Rijn- en Binnenvaart (hierna: het KSCC) bouwvergunning verleend voor het uitbreiden/verbouwen van een cultureel centrum op het perceel Hoofdstraat 34 te Maasbracht (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200400464/1.

Datum uitspraak: 13 oktober 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Maasbracht,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 12 december 2003 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [plaats]

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 21 juni 2001 heeft appellant (hierna: het college) aan het Katholiek Sociaal Cultureel Centrum voor Rijn- en Binnenvaart (hierna: het KSCC) bouwvergunning verleend voor het uitbreiden/verbouwen van een cultureel centrum op het perceel Hoofdstraat 34 te Maasbracht (hierna: het perceel).

Bij besluit van 13 november 2002 heeft het college het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar, onder het alsnog verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) voor het bouwplan, ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 december 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 13 november 2002 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief van 16 januari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 19 januari 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 9 februari 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

[wederpartij] heeft gereageerd bij brieven van 15 maart 2004 en 31 maart 2004.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 augustus 2004, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. J.A.M. Hermans, ambtenaar van de gemeente, en [wederpartij] in persoon, bijgestaan door mr. H. Schouwstra, gemachtigde, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Bij besluit van 31 augustus 2000 heeft de gemeenteraad van Maasbracht voor het perceel het bestemmingsplan “Kern Maasbracht – Hoofdstraat 34” vastgesteld. Bij uitspraak van 12 juni 2002, inzake no. 200102096/1, heeft de Afdeling het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: gedeputeerde staten) tot goedkeuring van dat plan vernietigd, voorzover dat ziet op het perceelsgedeelte waarop de hier aan de orde zijnde uitbreiding/vergroting is voorzien. Dat perceelsgedeelte heeft ingevolge het daar van kracht gebleven bestemmingsplan “Kern Maasbracht” de bestemming “Achtertuin”. Niet in geschil is dat het bouwplan daarmee in strijd is, omdat die bestemming een (uitbreiding van een) cultureel centrum niet toestaat.

2.2.    Ten einde niettemin bouwvergunning te kunnen verlenen heeft het college voor het bouwplan vrijstelling verleend als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO. Ingevolge dat artikel, voorzover thans van belang, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen.

2.3.    In de beslissing op bezwaar heeft het college zijn standpunt gehandhaafd dat het bouwplan valt onder de in paragraaf 2.3.1, onder A1, sub d, van door gedeputeerde staten vastgestelde “Beleidsnotitie wijziging Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO)” (hierna: de Beleidsnotitie) omschreven categorie van gevallen. In genoemd onderdeel van de Beleidsnotitie is bepaald dat artikel 19, tweede lid, van de WRO van toepassing is in geval van een uitbreiding van een gebouw met dien verstande dat de uitbreiding niet groter mag zijn dan 10% van de op basis van het bestemmingsplan qua oppervlakte dan wel qua inhoud maximaal toegestane omvang.

2.4.    In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het bouwplan niet onder voormelde categorie valt omdat de uitbreiding is voorzien op gronden bestemd voor “Achtertuin” waarop geen bebouwing is toegestaan, en derhalve geen sprake kan zijn van een uitbreiding van de ingevolge het bestemmingsplan toegestane omvang van bebouwing. Het college betwist dat oordeel en betoogt dat het aanwezige cultureel centrum ingevolge het bestemmingsplan “Kern Maasbracht – Hoofdstraat 34” is toegestaan en het bouwplan voorziet in een uitbreiding van de oppervlakte daarvan van minder dan 10%.

2.5.    De Afdeling volgt het college niet in zijn betoog. Gelet op de tekst en totstandkomingsgeschiedenis van artikel 19, eerste en tweede lid, van de WRO is toepassing van deze bepalingen slechts mogelijk voor projecten die gedeputeerde staten planologisch aanvaardbaar achten. Daarbij geldt als uitgangspunt dat gedeputeerde staten het desbetreffende project aan een zelfstandige beoordeling onderwerpen. Een dergelijke beoordeling vindt niet plaats ten aanzien van projecten die vallen onder de door gedeputeerde staten op de voet van het tweede lid aangegeven categorieën van gevallen waarin geen verklaring van geen bezwaar is vereist. Voor die gevallen is sprake van een vooraf gegeven beoordeling in abstracto. Deze opzet brengt mee dat een categorie-omschrijving als vorenbedoeld strikt moet worden uitgelegd. De rechtbank is derhalve terecht en op juiste gronden tot het oordeel gekomen dat de in geding zijnde bouw niet is te rangschikken onder voormeld onderdeel van de Beleidsnotitie.

2.6.    Ter zitting is van de zijde van het college gesteld dat gedeputeerde staten onlangs een nieuw besluit hebben genomen tot aanwijzing van categorieën van gevallen waarin toepassing kan worden gegeven aan artikel 19, tweede lid, WRO en dat het bouwplan een geval is dat onder die aanwijzing valt. Het college heeft voor het geval zijn hoger beroep niet zou slagen verzocht op deze grond alsnog te bepalen dat de rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigde besluit van 13 november 2002 geheel in stand blijven. Reeds omdat het college zijn stelling omtrent de nieuwe aanwijzing in het geheel niet heeft onderbouwd en toegelicht en [wederpartij] daarop bovendien niet heeft kunnen reageren, dient aan dat betoog voorbij te worden gegaan.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. R. van der Spoel , Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk    w.g. Schortinghuis

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2004

66-412.