Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR3801

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-10-2004
Datum publicatie
13-10-2004
Zaaknummer
200403890/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 november 2002 heeft appellant het verzoek van [verzoeker] om een schadevergoeding als bedoeld in artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2005/62 met annotatie van J.W. van Zundert
Module Ruimtelijke ordening 2004/4828
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200403890/1.

Datum uitspraak: 13 oktober 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de raad van de gemeente Vlissingen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 8 april 2004 in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 november 2002 heeft appellant het verzoek van [verzoeker] om een schadevergoeding als bedoeld in artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), afgewezen.

Bij besluit van 28 mei 2003 heeft appellant het daartegen door [verzoeker] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de Commissie bezwaar- en beroepschriften van 24 april 2003, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 8 april 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Middelburg (hierna: de rechtbank) het daartegen door [verzoeker] ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 4 mei 2004, bij de Raad van State ingekomen op 6 mei 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 8 juni 2004 heeft [verzoeker] van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 september 2004, waar appellant, vertegenwoordigd door H.J.M. Marcus en J. Francke, werkzaam bij de gemeente, en [verzoeker], bijgestaan door mr. K.M. Moeliker, advocaat te Middelburg, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    De Afdeling stelt vast dat het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college), gelet op artikel 160, eerste lid, onder f, van de Gemeentewet, zoals deze bepaling sinds de inwerkingtreding van de Wet dualisering gemeentebestuur op 7 maart 2002 luidt, bevoegd is namens de gemeenteraad het onderhavige hoger beroep in te stellen. Dat het college bij haar brief van 4 mei 2004 niet expliciet heeft vermeld dat het hoger beroep is ingesteld namens de raad en heeft volstaan met een verwijzing naar genoemd bevoegdheidsartikel, doet daaraan niet af. De hierop betrekking hebbende stelling van [verzoeker] treft dan ook geen doel.

2.2.    Het verzoek om schadevergoeding van [verzoeker] houdt verband met het bestemmingplan “Vrijburg, stadsgewestelijk zwembad” (hierna: Vrijburg), op basis waarvan een zwembad is gerealiseerd tegenover haar woning aan de [locatie] te Vlissingen. Betrokkene claimt schade in de vorm van waardevermindering van haar woning wegens belemmering van het uitzicht, inbreuk op de privacy vanwege geluidoverlast door bezoekers van het zwembad en toename van het verkeer ter plaatse.

2.3.    Het bestemmingsplan Vrijburg is door appellant vastgesteld op 29 juni 2000, door gedeputeerde staten goedgekeurd op 31 oktober 2000 en onherroepelijk geworden op 28 februari 2001. Het plan maakt de bouw mogelijk van een overdekt recreatiezwembad, bestaande uit een hoofdgebouw met een nokhoogte van 9 meter, en bijgebouwen met een nokhoogte van 6 meter, op een bouwvlak van ca. 21.600 m2. Het bouwvlak is gelegen op circa 160 meter ten zuiden van de woning van verzoekster.

2.4.    Voorheen gold ter plaatse het bestemmingsplan “Buitengebied 1e algehele herziening” (hierna: Buitengebied), dat door appellant is vastgesteld op 27 februari 1997, op 12 augustus 1997 gedeeltelijk is goedgekeurd door gedeputeerde staten en op 16 juli 1998 onherroepelijk is geworden. Ingevolge dit plan hadden de gronden in kwestie de bestemming “Agrarische doeleinden”, en de subbestemming “Agrarische randzone en landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden”.

2.5.    De bij de beslissing op bezwaar gehandhaafde afwijzing van het verzoek om planschadevergoeding steunt op het standpunt van appellant, dat verzoekster door de bestemmingsplanwijziging niet in een planologisch nadeliger positie is komen te verkeren, zodat van voor vergoeding in aanmerking komende schade geen sprake kan zijn en dat mitsdien aan een oordeel over de argumenten van verzoekster van financiële aard niet kan worden toegekomen.

2.6.    De aangevallen uitspraak is gebaseerd op de overweging van de rechtbank dat de waarde van de woning van [verzoeker] op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: WOZ) in verband met de komst van het zwembad op een lager bedrag is vastgesteld dan bij de vorige taxatie en dat appellant niet of niet overtuigend heeft aangegeven waarom die waardedaling niet van belang is bij het vaststellen van de schade in het kader van artikel 49 van de WRO.

De rechtbank heeft de beslissing op bezwaar vernietigd vanwege strijd met het in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde motiveringsbeginsel.

2.7.    De WOZ-waarde van de woning in kwestie - overigens daargelaten in hoeverre daaraan in dit concrete geval betekenis toekomt - kan evenwel eerst aan de orde komen in het kader van de bepaling van de omvang van eventuele schade, nadat is vastgesteld dat een bestemmingsplan of een andere in artikel 49 van de WRO genoemde planologische maatregel daadwerkelijk tot een planologische verslechtering heeft geleid ten opzichte van de mogelijkheden onder het daarvoor vigerende planologische regime.

2.8.    Naar appellant in hoger beroep terecht heeft aangevoerd, heeft de rechtbank dit miskend, nu zij in de aangevallen uitspraak de vraag of sprake is van een planologische verslechtering onbesproken heeft gelaten.

2.9.    Voorts kan worden ingestemd met de conclusie van appellant dat uit vergelijking van de bepalingen van het bestemmingsplan Vrijburg met het voordien geldende regime blijkt, dat de overlast en hinder die [verzoeker] stelt te (zullen) ondervinden, niet in relevante mate groter zijn dan waarvan sprake zou zijn geweest in het geval waarin de bebouwingsmogelijkheden op grond van het voormalige regime volledig zouden zijn benut. Daarbij moet worden bedacht dat het planologische regime op de tussen de woning van appellant en het zwembad gelegen gronden niet is gewijzigd. De aldaar vigerende bestemming maakte en maakt de oprichting mogelijk van schuren, schuilgelegenheden en melkstallen met een gezamenlijke oppervlakte van 50 m2 en schuren tot een gezamenlijke oppervlakte van 100 m2.

Gezien de afstand van het zwembad tot verzoeksters’ perceel en het feit dat de ingang daarvan en de toegangsweg zich aan de oostzijde van het gebouw bevinden, heeft appellant er voorts van kunnen uitgaan dat niet aannemelijk is dat zich bij de woning van [verzoeker] geluidhinder van enige betekenis van het verkeer van en naar het zwembad en van de bezoekers daarvan zal voordoen.

2.10.    Gelet op het voorgaande wordt de conclusie van appellant dat betrokkene door het bestemmingsplan Vrijburg niet in een nadeliger positie terecht is gekomen ten opzichte van het voormalige planologische regime, zodat van te vergoeden schade op de voet van artikel 49 van de WRO geen sprake is, door de Afdeling gedeeld.

2.11.    Het hoger beroep is gegrond en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog ongegrond verklaren.

2.12.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 8 april 2004, Awb 03/448;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-De Vin, Voorzitter, en mr. B.J. van Ettekoven en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in  tegenwoordigheid van mr. N.T. Zijlstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-De Vin    w.g. Zijlstra

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2004

240.