Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR3793

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-10-2004
Datum publicatie
13-10-2004
Zaaknummer
200400973/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 december 2003 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een melkrundveehouderij op het perceel [locatie] te Zoetermeer, kadastraal bekend gemeente Zoetermeer, sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 5 januari 2004 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.1
Wet milieubeheer 8.4
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Wet milieubeheer 20.6
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2005, 153 met annotatie van M.P. Jongma
Milieurecht Totaal 2004/4473
JM 2005/16 met annotatie van Zigenhorn
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200400973/1.

Datum uitspraak: 13 oktober 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellanten sub 1], allen wonend te Zoetermeer,

2.    [appellant sub 2], wonend te Zoetermeer,

3.    [appellanten sub 3], allen wonend te Zoetermeer,

en

het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 23 december 2003 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een melkrundveehouderij op het perceel [locatie] te Zoetermeer, kadastraal bekend gemeente Zoetermeer, sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 5 januari 2004 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 9 februari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 11 februari 2004, appellant sub 2 bij brief van 13 februari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 16 februari 2004, en appellanten sub 3 bij brief van 30 januari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 2 februari 2004, beroep ingesteld. Appellanten sub 1 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 13 februari 2004. Appellant sub 2 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 1 maart 2004.

Bij brief van 29 maart 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten sub 1 en sub 2. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 juli 2004, waar appellanten sub 1, waarvan [een van de appellanten] in persoon en bijgestaan door mr. M.J.R.M. Pompen, advocaat te Den Bosch, appellant sub 2, in persoon en eveneens bijgestaan door mr. M.J.R.M. Pompen, appellanten sub 3, waarvan [twee van de appellanten] in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. F.W.J. van der Steen, advocaat te Den Haag, en J. Zeedijk, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ter zitting hebben appellanten sub 1 en sub 2 de grond dat niet duidelijk is hoeveel paarden zijn vergund, ingetrokken.

2.2.    Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a.    degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b.    de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c.    degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d.    belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

   Appellanten sub 1 hebben de gronden inzake voorschrift 6.9, de meting van het referentieniveau van het omgevingsgeluid, het bouwen in afwijking van de verleende bouwvergunning en het ontbreken van een afschrift van de aanvraag om bouwvergunning bij de aanvraag om milieuvergunning niet als bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit ingebracht.

   Appellant sub 2 heeft de gronden inzake de stankhinder vanwege paarden, het ontbreken in de aanvraag van de juiste informatie over de milieuhinder vanwege de inrichting, voorschrift 6.9, het bouwen in afwijking van de verleende bouwvergunning en het ontbreken van een afschrift van de aanvraag om bouwvergunning bij de aanvraag om milieuvergunning niet als bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit ingebracht.

   Appellanten sub 3 hebben de grond inzake de mestberging niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht.

   Wat de genoemde gronden betreft is verder het bepaalde onder b en c niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellanten sub 1, 2 en 3 redelijkerwijs niet kan worden verweten op deze punten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellanten sub 1, 2 en 3 in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.3.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

   Ingevolge artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag indien een veranderingsvergunning wordt aangevraagd als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, onder b, en voor die inrichting al een of meer vergunningen krachtens deze wet zijn verleend, uit eigen beweging of op verzoek, bepalen dat een vergunning moet worden aangevraagd voor die verandering en voor het in werking hebben na die verandering van de gehele inrichting of onderdelen daarvan, waarmee die verandering samenhangt.

   Ingevolge artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag bij de verlening van een revisievergunning de rechten die de vergunninghouder aan de eerder verleende vergunning ontleende, niet wijzigen anders dan mogelijk zou zijn met toepassing van afdeling 8.1.2 van de wet.

   Ingevolge artikel 8.4, vierde lid, voorzover hier van belang, van de Wet milieubeheer vervangt een met toepassing van dit artikel verleende vergunning met ingang van het tijdstip waarop zij in werking treedt, de eerder voor de inrichting of met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde onderdelen daarvan verleende vergunningen.

2.4.    Bij het bestreden besluit is vergunning verleend voor het houden van 60 melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar, 60 zoogkoeien en overig rundvee ouder dan 2 jaar, 60 stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar, 60 schapen, 4 geiten, 10 kippen, 10 volwassen paarden en 6 paarden in opfok.

   Bij besluit van 24 februari 1987 is krachtens de Hinderwet een revisievergunning verleend (hierna: de onderliggende vergunning) voor een inrichting gelegen op de percelen [locatie a en b]. Met de bij het bestreden besluit verleende vergunning en de voor de beoogde inrichting op het perceel [locatie a] aangevraagde revisievergunning krachtens de Wet milieubeheer, waarvoor het ontwerp van het besluit tot vergunningverlening reeds ter inzage heeft gelegen, is beoogd deze inrichting te splitsen in twee afzonderlijke inrichtingen op de genoemde percelen.

2.5.    Appellanten sub 1 en 3 hebben bezwaren met betrekking tot enkelvoudige stankhinder. Appellanten sub 1 betogen in dit verband dat op 32 meter van de inrichting een categorie IV-object, de woning [locatie a], en op 48 meter van de inrichting een categorie I-object, de woning [locatie c], zijn gelegen. Derhalve wordt volgens hen niet voldaan aan de volgens de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 (hierna: de Richtlijn) voor rundvee enerzijds en schapen, geiten en kippen anderzijds minimaal in acht te nemen afstanden en is sprake van een stankoverbelaste situatie.     Verder betogen appellanten sub 1 – mede in dit verband – en appellant sub 2 – in het algemeen – dat niet duidelijk is hoe de bestaande rechten uit de onderliggende vergunning zijn verdeeld tussen de als gevolg van de splitsing ontstane nieuwe inrichtingen.

2.5.1.    Verweerder heeft bij de beoordeling van de stankhinder de Richtlijn gehanteerd. Bij de bepaling van de omgevingscategorieën heeft hij de brochure Veehouderij en Hinderwet (hierna: de brochure) gehanteerd.

   Niet in geding is dat wat de woningen [locatie a] en [locatie c] betreft sprake is van een stankoverbelaste situatie. Verweerder heeft zich echter op het standpunt gesteld dat de gevraagde vergunning niettemin kan worden verleend onder meer omdat vergunninghoudster over voldoende bestaande rechten beschikt. Verweerder is er daarbij vanuit gegaan dat de bestaande rechten die kunnen worden ontleend aan de onderliggende vergunning zowel geheel kunnen worden toebedeeld aan de voorliggende inrichting als aan de aangevraagde inrichting op het perceel [locatie a]. Dit zou echter, in strijd met artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer, een verdubbeling betekenen van de aan de onderliggende vergunning te ontlenen bestaande rechten en daarmee van het mogelijk te houden veebestand – in een reeds overbelaste situatie – in de twee afzonderlijke inrichtingen op de percelen [locatie a en b] tezamen ten opzichte van de eerder vergunde inrichting op deze percelen. Het besluit tot vergunningverlening voor de inrichting op het perceel [locatie a], voorzover dat inmiddels al zou zijn genomen, staat echter thans niet ter beoordeling. De Afdeling overweegt verder dat, voorzover de bestaande rechten geheel zijn toebedeeld aan alleen de voorliggende inrichting, er weliswaar sprake is van een afname van het vergunde aantal te houden rundvee en mestvarkeneenheden ten opzichte van de onderliggende vergunning, maar dat verweerder niet is nagegaan of desondanks een verslechtering optreedt ten opzichte van de situatie waarop de onderliggende vergunning betrekking heeft in de afstanden tot de relevante categorie I- en IV-objecten. Daarbij overweegt de Afdeling dat tussen partijen onbetwist is dat de woning op het perceel [locatie a], de voormalige bedrijfswoning bij de inrichting waarop de onderliggende vergunning ziet, thans moet worden aangemerkt als een categorie IV-object als bedoeld in de brochure. Voorzover verweerder ten slotte de thans voorliggende vergunning slechts heeft beoogd te verlenen voor die onderdelen van de bestaande inrichting die zijn gelegen op het perceel [locatie b], overweegt de Afdeling dat de onderliggende vergunning voor het gedeelte van de bestaande inrichting dat is gelegen op het perceel [locatie a] niet krachtens artikel 8.4, vierde lid, van de Wet milieubeheer kan komen te vervallen op het tijdstip dat de bij het bestreden besluit verleende vergunning onherroepelijk wordt. Ook om die reden kan, daargelaten of alle onderdelen van de bestaande inrichting al perceelsgewijs zouden kunnen worden gesplitst, derhalve geen sprake zijn van een – dubbele – toebedeling van de bestaande rechten zoals verweerder dat heeft gedaan.

   Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht ondeugdelijk is gemotiveerd.

2.6.    De beroepen zijn, voorzover ontvankelijk, gegrond. Nu het aspect stankhinder zoals hiervoor uiteengezet bepalend is voor de beantwoording van de vraag of de gevraagde vergunning kan worden verleend, dient het bestreden besluit reeds hierom in zijn geheel te worden vernietigd. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.

2.7.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van appellanten sub 1 en 2 te worden veroordeeld. Wat appellanten sub 3 betreft is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de beroepen van appellanten sub 1, 2 en 3 niet-ontvankelijk voorzover het de gronden, van appellanten sub 1, inzake voorschrift 6.9, de meting van het referentieniveau van het omgevingsgeluid, het bouwen in afwijking van de verleende bouwvergunning en het ontbreken van een afschrift van de aanvraag om bouwvergunning bij de aanvraag om milieuvergunning, van appellant sub 2, de stankhinder vanwege paarden, het ontbreken in de aanvraag van de juiste informatie over de milieuhinder vanwege de inrichting, voorschrift 6.9, het bouwen in afwijking van de verleende bouwvergunning en het ontbreken van een afschrift van de aanvraag om bouwvergunning bij de aanvraag om milieuvergunning, en van appellanten sub 3, de mestberging, betreft;

II.    verklaart de beroepen, voor het overige, gegrond;

III.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer van 23 december 2003;

IV.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer in de door appellanten sub 1 en sub 2 in verband met de behandeling van de beroepen gemaakte proceskosten tot een bedrag, voor appellanten sub 1, van € 693,45, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en voor appellant sub 2, van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan een door derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; de (totale) bedragen dienen door de gemeente Zoetermeer te worden betaald aan respectievelijk appellanten sub 1 en 2;

V.    gelast dat de gemeente Zoetermeer aan appellanten sub 1, 2 en 3 het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 116,00 voor ieder afzonderlijk) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. Ch.W. Mouton en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in`tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.

De Voorzitter    w.g. De Vink

is verhinderd de uitspraak    ambtenaar van Staat

te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2004

154-396.