Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR3788

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-10-2004
Datum publicatie
13-10-2004
Zaaknummer
200402138/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 april 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vergunning verleend voor het aanleggen van hoogopgaande beplantingen en een landschapstuin op het perceel, plaatselijk bekend [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Nederhorst den Berg, sectie […], nummer […] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2004/2576
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200402138/1.

Datum uitspraak: 13 oktober 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 januari 2004 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 22 april 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vergunning verleend voor het aanleggen van hoogopgaande beplantingen en een landschapstuin op het perceel, plaatselijk bekend [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Nederhorst den Berg, sectie […], nummer […] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 28 oktober 2002 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 januari 2004, verzonden op diezelfde dag, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 11 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op 12 maart 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 26 april 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 3 juni 2004 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 augustus 2004, waar appellanten in persoon, bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. S. de Ridder, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Niet in geschil is dat de bestreden beslissing op bezwaar ziet op de aanleg van wilgen, populieren, coniferen, berken, eiken, een vlier en diverse struiken in een strook van 52 en van 75 meter lengte (hierna: de beplanting). Gelet hierop bestaat geen misverstand over hetgeen met behulp van de aanduiding “hoogopgaande beplanting en landschapstuin” is vergund. Anders dan appellanten betogen behoeft het begrip “landschapstuin” derhalve geen nadere aandacht.

2.2.    Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) mag alleen en moet een aanlegvergunning worden geweigerd, indien het werk of de werkzaamheid in strijd zou zijn met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen.

2.3.    Het perceel waarop de aanlegvergunning betrekking heeft, heeft ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Horstermeer” de bestemming “Landschappelijk waardevol open agrarisch gebied”.

2.4.    Ingevolge artikel 15, aanhef, van de planvoorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor:

- agrarische bedrijfsdoeleinden met de daarbij behorende bebouwing en voorzieningen;

- het behoud en herstel van de landschappelijk waardevolle openheid van het gebied;

- ter bescherming van belangen ten dienste van een straalpad respectievelijk ondergrondse leiding, ter plaatse waar op de plankaart de aanduiding “straalpad” respectievelijk “zone ondergrondse leidingen” voorkomt.

2.5.    Ingevolge artikel 15, lid F, A onder I, aanhef en onder a, van de planvoorschriften is het verboden op of in de tot landschappelijk waardevol open agrarisch gebied bestemde gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) uit te voeren, te doen of te laten uitvoeren: het aanbrengen van hoogopgaande beplantingen, met uitzondering van boomgaarden en erfbeplantingen. Onder II van dit artikel is bepaald dat werken of werkzaamheden, als bedoeld onder I, slechts toelaatbaar zijn, indien door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen de landschappelijke waardevolle openheid van deze gronden niet onevenredig wordt of kan worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor herstel van voornoemde waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.

2.6.    Het betoog van appellanten richt zich onder meer tegen het oordeel van de rechtbank dat de aanlegvergunning niet in strijd met het bestemmingsplan is verleend.

2.7.    Alvorens toe te komen aan de vraag of de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat de beplanting waarvoor aanlegvergunning is verleend in overeenstemming is met artikel 15, lid F, A onder I, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, ziet de Afdeling zich gesteld voor de daaraan voorafgaande vraag of de beplanting strekt ten dienste van de op het perceel rustende agrarische bestemming, zoals blijkt uit onder meer de uitspraak van de Afdeling van 11 juni 2003, no. 200204864/1.

2.8.    Op het perceel bevindt zich een burgerwoning. Uit de stukken is gebleken en ter zitting is bevestigd dat de bomen en struiken, voor de aanleg waarvan vergunning is verleend, strekken tot bescherming van de privacy van de bewoners van die woning en niet ten dienste van de op het perceel rustende agrarische bestemming. De aangelegde beplanting is derhalve in strijd met deze bestemming. Gelet op het dwingend bepaalde in artikel 44, eerste lid, onder a, van de WRO had de aanlegvergunning behoren te worden geweigerd. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.9.    Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep gegrond is. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep van appellanten tegen het besluit van 28 oktober 2002 alsnog gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.

2.10.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 januari 2004, AWB 02/5326 BESLU en 04/253 BESLU;

II.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

III.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren van 28 oktober 2002, REO/ck/2002-10699;

IV.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren in de door appellanten in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1376,56, waarvan een gedeelte groot € 1288,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de gemeente Wijdemeren te worden betaald aan appellanten;

V.    gelast dat de gemeente Wijdemeren aan appellanten het door hen voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht (€ 284,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Duursma, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Duursma

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2004

292-378.