Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR3785

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-10-2004
Datum publicatie
13-10-2004
Zaaknummer
200406871/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 juli 2004, kenmerk ANW 2004/4340, heeft verweerder onder meer aan verzoekster vergunning verleend krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren voor het lozen van afvalwater op het IJ en het Zijkanaal K te Amsterdam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200406871/2.

Datum uitspraak: 8 oktober 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Albemarle Catalysts Compagny B.V.", gevestigd te Amsterdam,

verzoekster,

en

de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 6 juli 2004, kenmerk ANW 2004/4340, heeft verweerder onder meer aan verzoekster vergunning verleend krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren voor het lozen van afvalwater op het IJ en het Zijkanaal K te Amsterdam.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 13 augustus 2004, bij de Raad van State ingekomen op 16 augustus 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 13 augustus 2004, bij de Raad van State ingekomen op 16 augustus 2004, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 28 september 2004, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. G.J. Niezen, advocaat te Amersfoort, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. drs. H.J.M. van Gellekom en ing. J. Brokke, beiden ambtenaar van Rijkswaterstaat. zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Verzoekster voert aan dat verweerder ten onrechte de in de aanvraag vermelde gegevens met betrekking tot de feitelijke lozing van zeldzame aardmetalen op het oppervlaktewater vanuit put 5 in het tweede lid van voorschriften 14, behorende bij de vergunning van 6 juli 2004, heeft overgenomen. Dit omdat volgens verzoekster het slechts een indicatie betrof van het totaal gemiddelde van de desbetreffende lozing over de periode 2001 tot en met 2003, waarbij hoge en lage waarden tegen elkaar zijn weggevallen. Dit geldt volgens haar tevens voor de in het tweede lid van voorschrift 15 gestelde waarde voor zeldzame aardmetalen in het effluent van de Lurgi-installatie ter plaatse van meetpunt 6. In dat kader betoogt verzoekster dat verweerder bij het vaststellen van deze in de voorschriften weergegeven waarden voor zeldzame aardmetalen het desbetreffende totaal gemiddelde had dienen te vermeerderen met drie maal de standaardafwijking. Zij verwijst hierbij naar de in het voorlopig eindconcept “CIW Lozingseisen Wvo-vergunning“ van de Commissie Intergraal Waterbeheer opgenomen systematiek.

2.3.    Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, kort weergegeven, op het standpunt gesteld dat hantering van het in het voorlopig eindconcept “CIW Lozingseisen Wvo-vergunning“ opgenomen systematiek niet zou leiden tot een verruiming van de in het tweede lid van artikel 14 en het tweede lid van artikel 15 gestelde waarden voor zeldzame aardmetalen.

2.4.    In voorschrift 14, tweede lid, is bepaald dat in het te lozen afvalwater uit de FCC fabriek, gemeten ter plaatse van meetpunt 5, het gehalte aan zeldzame aardmetalen het gemiddelde van 5 mg/l, bepaald als voortschrijdend rekenkundig gemiddelde van 10 etmaalmonsters, en het maximum van 10 mg/l, bepaald in een etmaalmonster, niet mag overschrijden.

   In voorschrift 15 is bepaald dat in het effluent van de Lurgi-installatie, gemeten ter plaatse van meetpunt 6, het gehalte aan zeldzame aardmetalen het maximum van 10 mg/l, bepaald in een etmaalmonster, niet mag overschrijden.

2.5.    De Voorzitter overweegt dat het beroep, dat van technische aard is, nader onderzoek vergt, waarvoor de onderhavige procedure zich niet leent. In het kader van de behandeling van het geding in de bodemprocedure zal aan de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening worden verzocht om een deskundigenbericht uit te brengen.

   Ter zitting heeft de Voorzitter partijen voorts de gelegenheid gegeven met elkaar in overleg te treden ten aanzien van de hoogte van de in het geding zijnde waarden. Verweerder heeft te kennen gegeven onder voorwaarden geen bezwaar te hebben dat de in de voorschrift 14 en 15 gestelde waarden voor zeldzame aardmetalen worden vervangen door de in de vorige vergunning opgenomen waarden totdat in de bodemprocedure is beslist worden opgeschort. Verzoekster heeft met deze voorwaarden ingestemd. Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter, bij afweging van de betrokken belangen, aanleiding tot het treffen van de hierna te melden voorlopige voorziening. De Voorzitter ziet daarbij aanleiding te trachten de behandeling van de hoofdzaak, voorzover mogelijk, te bespoedigen.

2.6.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 6 juli 2004, kenmerk ANW 2004/4340, voorzover het in voorschrift 14, tweede lid, en voorschrift 15, tweede lid, gestelde waarden voor zeldzame aardmetalen betreft;

II.    treft de voorlopige voorziening dat voorschrift 14, tweede lid, met betrekking tot het geschorste onderwerp inhoudt dat in het te lozen afvalwater uit de FCC fabriek, gemeten ter plaatse van meetpunt 5, het gehalte aan zeldzame aardmetalen het gemiddelde van 10 mg/l, bepaald als voortschrijdend rekenkundig gemiddelde van 10 etmaalmonsters, en het maximum van 20 mg/l, bepaald in een etmaalmonster, niet mag overschrijden;

III.    veroordeelt de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat in de door verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de Staat der Nederlanden te worden betaald aan verzoekster;

IV.    gelast dat de Staat der Nederlanden aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 273,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt    w.g. Melse

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2004

191-375.