Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR3767

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-10-2004
Datum publicatie
13-10-2004
Zaaknummer
200401617/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 juni 2002 heeft de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Staatssecretaris) een verzoek van appellante om toekenning van schadevergoeding op grond van de Nadeelcompensatieregeling verleggen kabels en leidingen in en buiten rijkswaterstaatwerken (hierna: NKL 1999) afgewezen.

Wetsverwijzingen
Telecommunicatiewet
Telecommunicatiewet 5.7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2004/376
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200401617/1.

Datum uitspraak: 13 oktober 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "KPN Telecom B.V.", gevestigd te Den Haag,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 12 januari 2004 in het geding tussen:

appellante

en

de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 19 juni 2002 heeft de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Staatssecretaris) een verzoek van appellante om toekenning van schadevergoeding op grond van de Nadeelcompensatieregeling verleggen kabels en leidingen in en buiten rijkswaterstaatwerken (hierna: NKL 1999) afgewezen.

Bij besluit van 5 november 2002 heeft de Staatssecretaris het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 januari 2004, verzonden op 13 januari 2004, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 20 februari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 23 februari 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 23 maart 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 11 mei 2004 heeft de Staatssecretaris van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 september 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. C.Q. de Meza, werkzaam bij appellante, en de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. J.P. Heinrich en mr. M.H.P. Claassen, advocaten te Den Haag, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellante stelt schade te hebben geleden ten gevolge van de verlegging van een glasvezelkabel in verband met de verbreding en verlegging van de vaarweg in de Westerschelde in 1999.

2.2.    De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de Staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld, dat de door appellante gestelde schade niet op grond van de NKL 1999 voor vergoeding in aanmerking komt, gelet op de schadevergoedingsregeling die artikel 5.7 van de Telecommunicatiewet (hierna: Tw) biedt. De NKL 1999, houdende beleidsregels, treedt als nadeelcompensatieregeling terug indien een wet in formele zin, zoals de Tw, een specifieke regeling geeft ten aanzien van de toerekening van kosten voor het verleggen van kabels, die op grond van een gedoogplicht in en op openbare gronden liggen. Nu vaststaat dat de in 1999 uitgevoerde verlegging op de bodem van de Westerschelde betrekking heeft op een telecommunicatiekabel en dat appellante in dat verband dient te worden aangemerkt als aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk als bedoeld in de Tw, dient op grond van die wet te worden vastgesteld of en zo ja welke schade voor vergoeding in aanmerking komt. Dat, zoals appellante betoogt, allerminst vaststaat dat zij op grond van de Tw voor schadevergoeding in aanmerking komt, doet niet af aan het oordeel dat de gestelde schade in dat kader moet worden beoordeeld. In zoverre appellante betoogt dat zij op grond van artikel 5.7 van de Tw recht heeft op vergoeding van de kosten van de verplaatsing, overweegt de Afdeling dat die stelling in deze procedure niet aan de orde is. De bijzondere conflictregeling van artikel 5.7, derde lid, van de Tw voorziet in de mogelijkheid van een besluit van de OPTA ter zake, waarover, na bezwaar, ingevolge artikel 17.1 van de Tw de rechtbank Rotterdam bij uitsluiting bevoegd is in beroep te oordelen.

2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.    

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. F.P. Zwart, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. J.E.M. Polak, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, ambtenaar van Staat.

w.g. Zwart    w.g. Planken

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2004

299.