Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR3758

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-10-2004
Datum publicatie
13-10-2004
Zaaknummer
200307490/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 maart 2003, medegedeeld bij brief van 2 april 2003, heeft verweerder (hierna: het College) bepaald aan appellante geen voorschot te verlenen voor saneringskosten en aangegeven bij de definitieve vaststelling van het liquidatiesaldo van appellantes sanering tevens de waarde van de vorderingen, effecten en liquide middelen van de stichting "Stichting Esther Evrard Fonds" (hierna: de Stichting EEF) als opbrengsten in aanmerking te zullen nemen.

Wetsverwijzingen
Wet ziekenhuisvoorzieningen
Wet ziekenhuisvoorzieningen 18b
Besluit sanering instellingen voor gezondheidszorg
Besluit sanering instellingen voor gezondheidszorg 2
Besluit sanering instellingen voor gezondheidszorg 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RZA 2004, 209
GJ 2004/32
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200307490/1.

Datum uitspraak: 13 oktober 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting "Stichting Medisch Centrum De Klokkenberg", gevestigd te Breda,

appellante,

en

het College sanering ziekenhuisvoorzieningen,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 26 maart 2003, medegedeeld bij brief van 2 april 2003, heeft verweerder (hierna: het College) bepaald aan appellante geen voorschot te verlenen voor saneringskosten en aangegeven bij de definitieve vaststelling van het liquidatiesaldo van appellantes sanering tevens de waarde van de vorderingen, effecten en liquide middelen van de stichting "Stichting Esther Evrard Fonds" (hierna: de Stichting EEF) als opbrengsten in aanmerking te zullen nemen.

Bij besluit van 24 september 2003, medegedeeld bij brief van 30 september 2003, heeft het College het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 11 november 2003, bij de Raad van State ingekomen op 12 november 2003, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 10 december 2003.

Bij brief van 4 februari 2004 heeft het College een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 18 mei 2004 heeft appellante een nader stuk ingezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 september 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. M.M. Janssen, advocaat te Amsterdam, en [algemeen directeur], en het College, vertegenwoordigd door prof. mr. G.R.J. de Groot, advocaat te Den Haag, en drs P. van Ruijven, mr. L.A.C. van Leeuwen en drs. J.J. Onnes, gemachtigden, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 18b, derde lid, van de Wet ziekenhuisvoorzieningen (hierna: de Wzv) kan het College subsidie verstrekken ter voorziening in de financiële gevolgen van de sanering van een ziekenhuisvoorziening.

   Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het mede op artikel 18b van de Wzv gebaseerde Besluit sanering instellingen voor de gezondheidszorg (hierna: het Besluit), voorzover hier van belang, bestaan de financiële gevolgen van sanering uit het verschil tussen de door het College aanvaardbaar geachte lasten terzake van de sanering en de door het College vastgestelde opbrengsten daarvan.

   Ingevolge artikel 2, vierde lid, van het Besluit neemt het College bij het vaststellen van de opbrengsten van sanering in beschouwing de opbrengsten van vermogensbestanddelen die als gevolg van de sanering niet meer bij de ziekenhuisvoorziening in gebruik zullen zijn, met uitzondering van de vermogensbestanddelen die naar het oordeel van het College, gelet op hun herkomst en bestemming, behoren te worden uitgezonderd.

   Ingevolge artikel 6 van het Besluit kan het College voorschotten verlenen.

2.2.    Op grond van de wettelijke regelgeving en de met betrekking tot deze regelgeving ontwikkelde jurisprudentie van de Afdeling heeft het College als vaste gedragslijn ontwikkeld, dat de vermogensbestanddelen die toebehoren aan een andere rechtspersoon dan die welke de ziekenhuisvoorziening exploiteert bij de vaststelling van de financiële gevolgen van sanering in aanmerking moeten worden genomen, indien is voldaan aan de volgende voorwaarden.

a. het moet gaan om activa die betrokken waren bij de functie-uitoefening van de te sluiten ziekenhuisvoorziening of die daarvoor bestemd waren;

b. er moet sprake zijn van een nauwe verwevenheid tussen de rechtspersoon die de ziekenhuisvoorziening exploiteerde en de rechtspersoon aan welke de vermogensbestanddelen toebehoren;

c. er moet geen aanleiding zijn vermogensbestanddelen, gelet op hun herkomst en bestemming, uit te zonderen.

2.3.    De doelomschrijving van de in 1994 voor het laatst gewijzigde statuten van de Stichting EEF luidt:

"De Stichting heeft ten doel: alle zorg in verband met de volksgezondheid, voorzover deze wordt verleend door de stichting "Medisch Centrum De Klokkenberg", gevestigd te Breda [..].

Onder dit doel vallen onder meer:

a. het creëren en instandhouden van voorzieningen ten behoeve van patiënten, die niet direct op het medische vlak liggen en niet uit de exploitatie of investeringsbegroting gefinancierd kunnen worden, welke voorzieningen de medische behandeling ondersteunen en/of het verblijf van langdurig opgenomen patiënten veraangenamen;

b. het creëren en instandhouden van voorzieningen en het mogelijk maken van projecten, welke direct de patiënten en hun omgeving ten dienste staan;

c. het financieren van therapeutische en recreatieve activiteiten voor patiënten, welke niet uit de verpleegprijs betaald kunnen worden;

d. het in incidentele gevallen bijdragen in kosten, welke met de opname van patiënten verband houden en niet door ziektekostenverzekeringen/ziekenfonds vergoed worden."

2.4.    Voorzover appellante heeft betoogd dat het bestreden besluit inhoudelijk onjuist is, omdat de gelden van de Stichting EEF steeds zijn aangewend ten behoeve van individuele patiënten of patiëntengroepen die worden verzorgd in appellantes voorziening en deze gelden, anders dan bij dit besluit is aangenomen, niet bij appellante in gebruik zijn geweest of duurzaam bij de functie-uitoefening zijn betrokken, faalt dit betoog. Hoewel, zoals appellante heeft gesteld, de Stichting EEF niet is opgericht om de bouw van het sanatorium van appellante mogelijk te maken, heeft het College terecht overwogen dat het doel van deze stichting altijd bij uitsluiting verband heeft gehouden met de zorg die in appellantes voorziening werd verleend. Hierbij is van belang dat de algemene doelomschrijving van de Stichting EEF - "alle zorg in verband met de volksgezondheid, voorzover verleend door appellante" - veel ruimer is dan de daarna bij wijze van voorbeeld opgenomen en niet limitatief opgesomde deeldoelstellingen. Dat de Stichting EEF zich in de praktijk heeft beperkt tot het ondersteunen van de onder a tot en met d genoemde doelen - zoals bijvoorbeeld de aanschaf van hobby- en knutselspullen, gezelschapsspelletjes, kinderboeken, een skelter en een step en bijdragen aan schoolreisjes -, is dan ook niet doorslaggevend. Een deel van de financiële middelen van de Stichting EEF werd feitelijk besteed aan voorzieningen voor patiënten van appellante of aan concrete doeleinden die verband hielden met de zorg die in appellantes voorziening werd verleend. Dat de middelen van de Stichting EEF een aanvulling mogelijk maakten op de voorzieningen die via de reguliere financiering van de zorg voorhanden waren, illustreert de samenhang met de functie-uitoefening van appellante, zoals het College terecht heeft overwogen. Voor de conclusie dat de financiële middelen van de Stichting EEF betrokken zijn bij de functie-uitoefening van appellante is het niet noodzakelijk dat zij deel uitmaken van appellantes exploitatie.

2.5.    Het betoog van appellante dat het vermogen van de Stichting EEF, gelet op de herkomst en bestemming, op grond van artikel 2, vierde lid, van het Besluit uitgezonderd zou moeten worden bij het vaststellen van de opbrengsten van sanering, omdat het vermogen afkomstig is uit een particuliere schenking met het specifieke doel ten goede te komen aan de patiënten van appellante, en niet aan - de exploitatie van - appellante, kan eveneens niet slagen. Terecht heeft het College zich hieromtrent op het standpunt gesteld dat er geen gronden zijn om vermogensbestanddelen van de Stichting EEF buiten beschouwing te laten bij de vaststelling van de opbrengsten op grond van artikel 2, eerste lid, van het Besluit, omdat het vermogen van de Stichting EEF, blijkens de statutaire doelomschrijving, nooit een andere bestemming heeft gekend dan die van de zorgverlening in appellantes voorziening. Het College heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat voorzover het doel van de Stichting EEF is aanvullende voorzieningen te treffen voor - patiënten van - appellante, de verwezenlijking daarvan met de sluiting van appellantes voorziening definitief buiten bereik is gekomen en dat onder de gegeven omstandigheden het op een zoveel mogelijk verantwoorde wijze sluiten van appellantes voorziening kan worden begrepen onder de binnen de doelstelling vallende mogelijkheden van aanwending van de vermogensbestanddelen van de Stichting EEF.

2.6.    Hetgeen appellante overigens heeft aangevoerd, wat hiervan ook zij, kan niet tot het oordeel leiden dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven.

2.7.    Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. J.H. van Kreveld, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Dallinga

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2004

18-420.