Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR3756

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-10-2004
Datum publicatie
13-10-2004
Zaaknummer
200403261/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 mei 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg (hierna: het college) de aanvraag van appellant om een vergunning als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de destijds van kracht zijnde Algemene politie verordening Leidschendam 1986, (hierna: APV) ten behoeve van een uitrit vanaf het perceel aan de achterzijde van appellants woning - gelegen aan de [locatie sub 1] - naar de [locatie sub 2] te [plaats], afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200403261/1.

Datum uitspraak: 13 oktober 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 3 maart 2004 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 24 mei 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg (hierna: het college) de aanvraag van appellant om een vergunning als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de destijds van kracht zijnde Algemene politie verordening Leidschendam 1986, (hierna: APV) ten behoeve van een uitrit vanaf het perceel aan de achterzijde van appellants woning - gelegen aan de [locatie sub 1] - naar de [locatie sub 2] te [plaats], afgewezen.

Bij besluit van 13 december 2002 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 maart 2004, verzonden op 9 maart 2004, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 19 april 2004, bij de Raad van State ingekomen op 20 april 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 3 juni 2004 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 september 2004, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. E.V. van Hardeveld, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, en het college, vertegenwoordigd door E.E. Bink en mr. C.J. Kiep, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Artikel 18, eerste lid, van de verordening bepaalt dat het verboden is zonder vergunning van burgemeester en wethouders in dan wel op wegen uitritten of uitwegen te maken of te hebben of bestaande te verbreden.

   Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat een vergunning kan worden geweigerd in het belang van:

   a.    de bruikbaarheid van de weg;

   b.    het veilig en doelmatig gebruik van de weg;

   c.    de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

   d.    de bescherming van de groenvoorziening in de gemeente

2.2.    Het college heeft de in bezwaar gehandhaafde afwijzing van de gevraagde vergunning doen steunen op de overweging dat een ontsluiting aan de achterzijde van het perceel per definitie een toename van de verkeersbewegingen met zich brengt op de [locatie sub 2], een doorgaande verbindingsweg met een direct aan appellants perceel grenzende vrije busbaan en dat dit uit oogpunt van bruikbaarheid en verkeersveiligheid van de weg, mede gelet op hetgeen de politie Haaglanden naderhand schriftelijk heeft bevestigd, een ongewenste situatie is.

   Voorts steunt de gehandhaafde afwijzing op de overweging dat ten behoeve van de aanleg van de gewenste uitrit met het oog op het scheppen van verantwoord vrij uitzicht op de [locatie sub 2] 10 tot 13 meter groenvoorziening moet worden verwijderd uit de bestaande groenvoorziening, hetgeen het college uit het oogpunt van bescherming van de groenvoorziening eveneens ongewenst acht.

2.3.    Appellant meent dat nu het college pas na de beslissing op bezwaar het rapport van de politie Haaglanden heeft verkregen, sprake is van onzorgvuldige besluitvorming. Voorts betwist appellant die verklaring inhoudelijk. Verder stelt appellant dat door het gebruik van de aan te leggen uitrit de verkeersbewegingen niet zullen toenemen, zodat hij betwijfelt of het doelmatig gebruik van de weg nadelig wordt beïnvloed. Appellant is, zo stelt hij, bereid om de bestaande uitrit van zijn perceel aan de [locatie sub 1] op te offeren ter wille van aan de gewenste uitrit naar de [locatie sub 2]. Tot slot stelt appellant dat een aanzienlijk kleinere hoeveelheid openbare groenvoorziening zal moeten verdwijnen dan het college beweert.

2.4.    De rechtbank heeft terecht vooropgesteld dat zij bij de toetsing in beroep van het bestreden besluit dient te beoordelen of het college na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel dat het college daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met enige ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur daaronder begrepen.

2.5.    De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat het college in redelijkheid van de bevoegdheid heeft gebruik gemaakt om de gevraagde vergunning te weigeren.

   Ook naar het oordeel van de Afdeling zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die twijfel doen rijzen aan de juistheid van de conclusie van het college dat de gevraagde uitrit, hoe dan ook, zal leiden tot een minder doelmatig gebruik van de [locatie sub 2] en een toename van de gevaarzetting. In dit verband acht de Afdeling het niet zonder betekenis dat de gewenste uitrit direct uitkomt op de vrije busbaan die appellant zou moeten kruisen naar de direct daaraan grenzende wegstrook met doorgaand éénrichtingsverkeer.

2.5.1.    De omstandigheid dat de visie van het hoofd van het plaatselijk politiebureau Haaglanden waarin de conclusie van het college wordt onderschreven eerst na het bestreden besluit schriftelijk is vastgelegd, leidt niet tot het oordeel dat het besluit van het college onzorgvuldig is voorbereid of onvoldoende is onderbouwd.

2.6.    Wat betreft de bescherming van de groenvoorziening in de omgeving kan niet worden staande gehouden dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat gezien de verkeerskundige eisen die moeten worden gesteld aan een uitrit zoals door appellant gewenst, verhoudingsgewijs veel openbaar groen moet wijken.

   De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat de stelling van appellant dat de bescherming van de groenvoorziening van de omgeving niet als weigeringsgrond kon worden gehanteerd, geen doel treft, gegeven de titel van het hoofdstuk waarin artikel 18 van de verordening is geplaatst.

2.7.    Gelet op het vorenoverwogene kan niet worden staande gehouden dat het college bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid aan de belangen van de bruikbaarheid van de weg en het veilig gebruik van de weg, alsmede die van de bescherming van de groenvoorziening ter plekke, de doorslag heeft kunnen geven.

2.8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Koning, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink    w.g. De Koning

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2004

221.