Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR3755

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-10-2004
Datum publicatie
13-10-2004
Zaaknummer
200407718/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 januari 2003, kenmerk MIL/RK/2003/0124, heeft verweerder een verzoek van verzoeker om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot het fruitkwekersbedrijf van [inrichtinghouder] op het adres [locatie] te [plaats], voorzover het verzoek betrekking had op het zonder vereiste milieuvergunning in werking zijn van de inrichting en op het niet naleven van geluidvoorschriften zoals opgenomen in het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer, afgewezen. Voorzover het verzoek betrekking had op het in strijd met het bestemmingsplan fruit verkopen aan particulieren, heeft verweerder meegedeeld dat dit deel van het verzoek aan het “taakveld VRO” is verstrekt met het verzoek voor afhandeling zorg te dragen en dat verzoeker daaromtrent apart bericht ontvangt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200407718/1.

Datum uitspraak: 7 oktober 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Noorder-Koggenland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 15 januari 2003, kenmerk MIL/RK/2003/0124, heeft verweerder een verzoek van verzoeker om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot het fruitkwekersbedrijf van [inrichtinghouder] op het adres [locatie] te [plaats], voorzover het verzoek betrekking had op het zonder vereiste milieuvergunning in werking zijn van de inrichting en op het niet naleven van geluidvoorschriften zoals opgenomen in het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer, afgewezen. Voorzover het verzoek betrekking had op het in strijd met het bestemmingsplan fruit verkopen aan particulieren, heeft verweerder meegedeeld dat dit deel van het verzoek aan het “taakveld VRO” is verstrekt met het verzoek voor afhandeling zorg te dragen en dat verzoeker daaromtrent apart bericht ontvangt.

Bij besluit van 3 juni 2003, kenmerk MIL/RK/VRO/FMW/2003/1568, verzonden op dezelfde dag, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar, voorzover dit betrekking had op het in strijd met het bestemmingsplan fruit verkopen aan particulieren, gegrond verklaard en voor het overige ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 15 juli 2003, bij de rechtbank Alkmaar ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 13 augustus 2003. De rechtbank heeft het beroep met de bijbehorende stukken vervolgens met begeleidende brief van 3 oktober 2003 doorgezonden naar de Raad van State, alwaar het op 6 oktober 2003 is ingekomen. De Raad van State heeft het beroep met betrekking tot het bestemmingsplan, met de bijbehorende stukken, met begeleidende brief van 7 oktober 2003 doorgezonden naar de rechtbank Alkmaar.

Bij uitspraak van de Afdeling van 6 mei 2004, no. 200306630/1, heeft de Afdeling het beroep gegrond verklaard en het besluit van 3 juni 2003 vernietigd. Tevens is verweerder opgedragen om drie maanden na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken.

Hangende bezwaar heeft verzoeker bij brief van 15 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op 15 september 2004, de Voorzitter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 28 september 2004, waar verzoeker in persoon en bijgestaan door mr. M. Kroon, advocaat te Bovenkarspel, en verweerder, vertegenwoordigd door J.C. Neij en P. Reijnen, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Bij het bestreden besluit van 15 januari 2003 heeft verweerder, voorzover hier van belang, het verzoek van verzoeker van 20 december 2002 om het treffen van bestuurlijke handhavingsmiddelen afgewezen. Hiertoe heeft verweerder, kort weergegeven, overwogen dat de inrichting onder het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer (hierna: het Besluit) valt en dat hij in hetgeen door verzoeker in het verzoek naar voren heeft gebracht geen aanleiding ziet te twijfelen dat de inrichting in overeenstemming met de in bijlage I bij het Besluit weergegeven geluidgrenswaarden in werking is.

2.2.    Bij brief van 14 juli 2004 heeft verweerder verzoeker ervan in kennis gesteld dat hij op 13 juli 2004 naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 2004, no. 200306630/1, de inrichtinghouder heeft verzocht vergunning krachtens de Wet milieubeheer aan te vragen.

2.3.    Verzoekster voert aan dat verweerder ten onrechte van handhaving heeft afgezien, nu de inrichting zonder de benodigde vergunning in werking is en legalisering van deze niet-vergunde situatie nog geruime tijd zal duren. Voorts betoogt hij dat de geluidhinder, die hij vanwege het in werking zijn van de inrichting ondervindt, voortduurt.

2.4.    De Voorzitter overweegt dat het blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting thans tussen partijen niet in geschil is dat verweerder ten tijde van het bestreden besluit bevoegd was tot het treffen van bestuurlijke handhavingsmiddelen, nu de inrichting zonder een vergunning krachtens de Wet milieubeheer in werking was en tot op heden is.

   Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Handhavend optreden kan daarnaast zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

   Uit de overgelegde stukken blijkt dat inrichtinghouder na daartoe op 13 juli 2004 verzocht te zijn een (concept)aanvraag om vergunning krachtens de Wet milieubeheer bij verweerder heeft ingediend voor het drijven van een fruitkwekersbedrijf op het adres [locatie] te [plaats]. Ter zitting heeft verweerder naar voren gebracht dat het ontwerp van het besluit strekkende tot verlening van de vergunning op 1 december 2004 ter inzage zal worden gelegd. Voorts ziet de Voorzitter in hetgeen verzoeker betoogt en ook overigens geen grond voor het oordeel dat niet kan worden aangenomen dat legalisatie van de activiteiten van de inrichting binnen afzienbare termijn te verwachten valt. Gelet hierop ziet de Voorzitter geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.

2.5.    Gezien het vorenstaande wijst de Voorzitter het verzoek af.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt    w.g. Melse

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2004

191-375.