Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR3749

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-10-2004
Datum publicatie
13-10-2004
Zaaknummer
200307875/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 februari 2003 heeft de gemeenteraad van Schouwen-Duiveland, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 11 februari 2003, het bestemmingsplan "Compensatielocatie Rampweg, bestaande uit de 9e herziening van het bestemmingsplan Buitengebied Oost, 2e herziening van het bestemmingsplan Lagezoom en 1e herziening van het bestemmingsplan Hoogenboomlaan" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200307875/1.

Datum uitspraak: 13 oktober 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    de stichting "Stichting Schoon Genoeg", gevestigd te Schouwen-Duiveland, en de vereniging "Vereniging Stad en Lande van Schouwen-Duiveland", gevestigd te Zierikzee,

2.    de stichting "Stichting Plus Min", gevestigd te Westerschouwen,

3.    [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

4.    [appellanten sub 4], wonend en gevestigd te [plaats],

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Zeeland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 februari 2003 heeft de gemeenteraad van Schouwen-Duiveland, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 11 februari 2003, het bestemmingsplan "Compensatielocatie Rampweg, bestaande uit de 9e herziening van het bestemmingsplan Buitengebied Oost, 2e herziening van het bestemmingsplan Lagezoom en 1e herziening van het bestemmingsplan Hoogenboomlaan" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 23 september 2003, kenmerk 038595/20/19, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 1 december 2003, bij de Raad van State ingekomen op 2 december 2003, appellante sub 2 bij brief van 3 december 2003, bij de Raad van State ingekomen op 5 december 2003, appellant sub 3 bij brief van 4 december 2003, bij de Raad van State ingekomen op 5 december 2003, en appellanten sub 4 bij brief van 25 november 2003, bij de Raad van State ingekomen op 26 november 2003, beroep ingesteld. Appellanten sub 1 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 5 januari 2004. Appellanten sub 4 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 22 december 2003.

Bij brief van 12 februari 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 14 mei 2004. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 september 2004, waar appellanten sub 1, vertegenwoordigd door mr. J.E. Dijk, appellante sub 2, vertegenwoordigd door J.J. Overvliet, appellant sub 3 in persoon en bijgestaan door mr. M.W. Dieleman, advocaat te Middelburg, appellanten sub 4, vertegenwoordigd door mr. A.P. Cornelissen, advocaat te Middelharnis, en verweerder, vertegenwoordigd door B. Ventevogel, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar namens de gemeenteraad mr. M.A.Y. Schenk-Syswerda, ambtenaar van de gemeente, gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (verder: WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2.    Het plan voorzover van belang voorziet in de vestiging van een nieuwe camping op een zogenoemde compensatielocatie, de Rampweg, ter compensatie van de sanering van de camping De Prinsenhoeve. Op het oude terrein van deze camping maakt het plan natuurontwikkeling mogelijk.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het plan grotendeels goedgekeurd.

2.3.    Appellanten sub 1, sub 2 en sub 3 stellen dat verweerder het plan ten onrechte grotendeels heeft goedgekeurd. Zij voeren aan dat het plan in strijd is met het streekplan Zeeland, aangezien de in geding zijnde compensatielocatie volgens de streekplanuitwerking pas in de zogenoemde tweede fase, na gebleken behoefte, voor de herstructurering van de verblijfsrecreatie hoeft te worden ingezet. Volgens het door appellanten aangevoerde alternatief had eerst de compensatielocatie Brouwersdamaanzet moeten worden benut. Voorts menen appellanten sub 1 en sub 2 dat het plan in strijd met het streekplan bijdraagt aan een meer dan beperkte groei van het totaal aantal recreatieve verblijfseenheden in Schouwen-West, namelijk een toeneming van 3,9%. Daarbij stellen zij dat diverse campings een veel groter groeipercentage kennen, zodat voor de desbetreffende kampeercomplexen zeker niet kan worden gesproken van beperkte groei.

2.3.1.    De gemeenteraad stelt dat het plan past binnen de uitgangspunten van de streekplanuitwerking, waarbij onder meer het plangebied bij de Rampweg is aangewezen als compensatielocatie voor recreatie. Daarnaast stelt hij dat voor de door appellanten voorgestelde alternatieve plaats bij de Brouwersdamaanzet al andere inrichtingsplannen bestaan. Daaraan voegt hij toe dat het niet mogelijk is ter plaatse voldoende gronden te verwerven voor het vestigen van een compensatiecamping. Verder stelt de gemeenteraad dat het plan bijdraagt, conform de streekplanuitwerking, aan een voor heel Schouwen-West slechts beperkte groei van het aantal recreatieve verblijfseenheden.

2.3.2.    Verweerder heeft zich met de gemeenteraad op het standpunt gesteld dat uit de tweejaarlijkse evaluaties van de herstructurering in 1998 en 1999 is gebleken van de behoefte aan recreatieve verblijfseenheden aan de Rampweg. Hij stelt daarbij dat de vestiging van recreatie aan de Rampweg en de Helleweg goed aansluit bij de daar bestaande recreatie en bebouwing. Bovendien is bij de compensatielocatie Brouwersdamaanzet onvoldoende ruimte voor de nieuw te vestigen compensatiecamping. Daarnaast stelt hij dat de invulling van de compensatielocatie Brouwersdamaanzet al gedeeltelijk is benut met de vaststelling van het bestemmingsplan “Kampeerterreinen Scharendijke”. Tenslotte stelt verweerder zich op het standpunt dat bij het uitgangspunt van beperkte groei van het aantal eenheden voor verblijfsrecreatie bij de herstructurering het hele gebied Schouwen-West in beschouwing moet worden genomen. Daarbij meent hij dat de groei van het aantal recreatieverblijfseenheden ruimschoots voldoet aan het in dit verband gestelde criterium van beperkte groei.

2.3.3.    Het plan is onderdeel van een project tot herinrichting van het gebied Schouwen-West voor het behoud van natuur- en recreatiewaarden. Bij dit project is onder meer sanering en kwaliteitsverbetering van kampeerterreinen beoogd en zijn vier zogenoemde compensatielocaties aangewezen: Brouwersdamaanzet, Rampweg, Zoomgebied en Burgh- en Westlandpolder.

2.3.4.    In het kader van recreatie en toerisme is in het streekplan Zeeland van 17 september 1997 het gebied Schouwen-West als zogenoemde herstructureringszone aangemerkt:

   ”In de herstructureringszones is de toeristisch-recreatieve ontwikkeling veelal reeds lange tijd geleden tot stand gekomen en is thans sprake van verouderingssituaties. Er is een voorwaarden scheppend beleid nodig gericht op vernieuwing, aanpassing en kwaliteitsverbetering van het bestaande toeristisch-recreatieve product. Voor deze zones zal de provincie het initiatief nemen tot gebiedsgericht beleid. Als herstructureringszones worden behalve Schouwen-West, waarvoor reeds een gebiedsgericht beleid in ontwikkeling is, Walcheren en het Veerse Meergebied aangemerkt.”

Het streekplan bevat in hoofdlijnen het beleid dat gedetailleerd is neergelegd in de op 3 december 1996 vastgestelde streekplanuitwerking “Schouwen-West”. Hierin is voorzover hier van belang het volgende gesteld:

   “De omgevingskwaliteit is een zeer belangrijk onderdeel van het toeristisch-recreatief product. De zorg voor die omgevingskwaliteit komt mede tot uitdrukking in een voorzichtig beleid bij nieuw recreatief ruimtebeslag.

   Voor verblijfsrecreatie is het uitgangspunt dat de totale hoeveelheid verblijfseenheden in het gebied globaal op het huidige niveau wordt gehandhaafd. Nieuwe verblijfscomplexen zijn niet toegestaan. Wel zijn er mogelijkheden voor een beperkte groei van het aantal eenheden wanneer dat voor de kwaliteitsverbetering van een bestaand complex aantoonbaar noodzakelijk is of wanneer dit nodig is ter geleiding van saneringssituaties.

   Nieuw ruimtebeslag is mogelijk om het proces van kwaliteitsverbetering van het bestaande verblijfsaanbod gestalte te kunnen geven.

   (…)

   Voor het realiseren van natuurontwikkeling in Schouwen-West zullen een aantal recreatiebedrijven moeten worden verplaatst. De hiervoor benodigde compensatieruimte is sterk afhankelijk van de manier waarop het proces van verplaatsing invulling krijgt.

   Op de beleidskaart zijn gebieden aangeduid die het extra ruimtebeslag voortkomend uit kwaliteitsverbetering op kunnen vangen en tevens bedoeld zijn als compensatielocaties van het saneringsproces.

   (…)

   Ten behoeve van de herstructurering van de verblijfsrecreatie zal maximaal 80 hectare aan compensatielocaties worden ingezet. De inzet van de compensatiehectares zal in twee fasen gebeuren: de eerste fase bevat 40 hectare. Bij gebleken behoefte kan worden overgegaan naar fase 2, eveneens 40 hectare. De behoefte zal blijken uit de tweejaarlijkse evaluaties van het herstructureringsproces. Deze evaluatie zal aan de statencommissie worden voorgelegd. De Rampweg zal pas in de tweede fase, indien nodig, aan bod komen.”

De Afdeling acht dit beleid van verweerder niet onredelijk.

2.3.5.    Blijkens de stukken is, inclusief de gronden van gesaneerde campings De Prinsenhoeve en De Berkenhof, voor de herstructurering ongeveer 50,9 hectare grond op de compensatielocaties nodig. Voor genoemde tweejaarlijkse evaluaties van het herstructureringsproces zijn voortgangsrapportages opgesteld. Verweerder heeft op grond van de derde voortgangsrapportage in 1998 besloten tot genoemde fase twee over te gaan. In 1999 heeft hij vervolgens op grond van de vierde voortgangsrapportage bij brief de statencommissie geadviseerd in te stemmen met het aanwenden van het westelijke deel van de compensatielocatie Rampweg. De statencommissie is met het voorstel van verweerder akkoord gegaan.

Vervolgens is voor de hervestiging van de gesaneerde camping De Prinsenhoeve de compensatielocatie Rampweg aangewezen. Het westelijk deel van deze compensatielocatie sluit direct aan op bestaande recreatieconcentratie en bebouwing aan de Rampweg, waardoor versnippering wordt voorkomen. Het resterende oostelijke deel van de compensatielocatie zal het karakter van open gebied behouden en worden gebruikt voor ontwikkeling van natuurwaarden.

Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de keuze voor de in geding zijnde compensatielocatie in zoverre niet steunt op onjuiste gronden.

2.3.6.    Uit de plantoelichting blijkt dat de met de herstructurering gemoeide groei van de totale hoeveelheid verblijfseenheden voor recreatie in het gebied Schouwen-West grotendeels in de compensatielocaties zal plaatsvinden.

Volgens de streekplanuitwerking zal de herstructurering van het gehele gebied Schouwen-West verplaatsing van campings naar vier compensatielocaties met zich brengen. Op deze plaatsen is daarbij ook voorzien in extra ruimtebeslag nodig voor kwaliteitsverbetering van recreatiebedrijven in Schouwen-West.

Verweerder heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de groei van het aantal recreatieve verblijfseenheden en het extra ruimtebeslag voor recreatie in deze compensatiegebieden bezien moet worden in het licht van de groei van de totale hoeveelheid verblijfseenheden voor recreatie in het gebied Schouwen-West.

Hierbij kon hij tevens de verblijfseenheden betrekken die in 1996 weliswaar niet in de desbetreffende bestemmingsplannen waren opgenomen, maar waarvoor wel op grond van artikel 15 en 19 van de WRO een planologische en juridische grondslag bestond dan wel reeds lange tijd plannen tot legalisering bestonden.

Verweerder heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in het plan voorziene toeneming van verblijfsrecreatie zal bijdragen tot een niet meer dan beperkte groei van het totale aantal verblijfseenheden voor recreatie in het gebied Schouwen-West passend binnen het geldende beleid.

2.3.7.    Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat hervestiging van de gesaneerde camping De Prinsenhoeve op de compensatielocatie Rampweg past in het beleid met betrekking tot de herstructurering van het gebied Schouwen-West zoals dat is neergelegd in het streekplan Zeeland in samenhang met de streekplanuitwerking “Schouwen-West”.

2.4.    Appellanten sub 1 en sub 2 hebben aangevoerd dat een integrale aanpak van meergenoemde herstructurering ontbreekt, omdat de compensatielocaties in verschillende bestemmingsplannen, waaronder het in geding zijnde plan, zijn opgenomen en deze plannen slechts zien op gronden voor recreatiebedrijven.

De Afdeling overweegt dat blijkens de stukken en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen het plan is vastgesteld overeenkomstig het beleid en de uitgangspunten die zijn neergelegd in het streekplan en de streekplanuitwerking voor de herstructurering van het gebied Schouwen-West in zijn geheel.

Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat het plan een integrale aanpak van de herstructurering niet in de weg staat.

2.5.    Verder overweegt de Afdeling met betrekking tot hetgeen appellanten sub 1, sub 2 en sub 3 hebben aangevoerd ten aanzien van hun vrees voor aantasting van de landschappelijke schoonheid en, voorzover het appellanten sub 2 en sub 3 betreft, aantasting van het artistieke klimaat ter plaatse het volgende.

Blijkens de stukken blijft het open landschap en de uit het oogpunt van landschappelijke schoonheid waardevolle overgang naar het duinlandschap op de compensatielocatie grotendeels behouden. Daarnaast blijkt uit het deskundigenbericht dat op de akkers in het plangebied geen natuurwaarden van betekenis voorkomen.

Bovendien kunnen in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De gemeenteraad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een uitzondering had moeten worden gemaakt op dit uitgangspunt.

Verweerder heeft dan ook in redelijkheid meer gewicht kunnen toekennen aan het belang ter plaatse dat is gediend bij behoud en ontwikkeling van recreatie en natuur overeenkomstig het herstructureringsplan voor Schouwen-West dan aan het belang dat is gediend bij een volledig behoud van rust en open ruimte van het plangebied.

2.6.    Daarnaast zijn appellanten sub 1 van mening dat verwezenlijking van het plan negatieve gevolgen heeft voor het nabijgelegen gebied de Zoeten en Zouten Haard, dat binnen de Ecologische Hoofdstructuur ligt. Het veranderen van het waterpeil in het plangebied vanwege de nu nog drassige landbouwgrond en de extra toeristen van de camping kunnen schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantensoorten die in de Zoeten en Zouten Haard voorkomen.

2.6.1.    De gemeenteraad stelt dat overlast door toeristen in het gebied de Zoeten en Zouten Haard een bestaand probleem betreft. Hij meent dat de natuurbeherende instantie het gebied beter moet beschermen. Daarbij stelt hij dat door afrastering en borden het illegaal betreden van het natuurgebied kan worden voorkomen.

2.6.2.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat het nieuwe kampeerterrein geen storende effecten op het gebied de Zoeten en Zouten Haard met zich zal brengen, omdat de afstand tussen beide gebieden ruim 40 meter is en de Rampweg alsmede het hoogteverschil tussen het plangebied en het natuurgebied voor een extra scheiding zorgt. Hij stelt dat het bestaande duinpad naar het strand al intensief wordt gebruikt en dat verwezenlijking van het plan niet tot meer verstoring zal leiden. Tenslotte stelt hij zich op het standpunt dat uit onderzoek blijkt dat het plan geen negatieve gevolgen voor de waterhuishouding van het natuurgebied zal hebben.

2.6.3.    In het streekplan Zeeland is overeenkomstig de planologische kernbeslissing Structuurschema Groene Ruimte het beleid inzake zogenoemde kerngebieden, kleine natuurgebieden die zijn samengevoegd, opgenomen. Over gebieden met de aanduiding “bestaande bos- en natuurgebieden” is in het streekplan voorzover hier van belang het volgende gesteld:

   ”Actuele natuurwaarden dienen planologisch te worden veiliggesteld. Vormen van intensief gebruik in of in de directe omgeving van natuurgebieden worden geweerd. (…)

   Ruimtelijke ingrepen in de kerngebieden met negatieve effecten op de natuurwaarde kunnen alleen in geval van zwaarwegend maatschappelijk belang en bij het ontbreken van reële alternatieven toegestaan worden.”

In dit streekplan is daarnaast nog gesteld:

   “Voor de belangrijkste grote gebieden waar openheid een belangrijk onderdeel is van het natuurstreefbeeld is veelal ook sprake van landschappelijke kwaliteiten. Deze gebieden zijn opgenomen in de aandachtsgebieden landschap. Voor de overige natuurgebieden wordt uitgegaan van een afwegingszone van 100 meter, waarbij de invulling afhankelijk is van de mate van openheid en de verstoringsgevoeligheid van het streefbeeld natuur.”

Het natuurgebied de Zoeten en Zouten Haard ligt binnen de Ecologische Hoofdstructuur en heeft in het streekplan de aanduiding “bestaande bos- en natuurgebieden” gekregen. Het plangebied ligt - buiten de Ecologische Hoofdstructuur - op een afstand van 40 meter van dit natuurgebied en rondom het in het plan voorziene kampeerterrein zal een groenstrook met een breedte van 10 meter worden aangelegd. Tussen beide gebieden loopt de Rampweg.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het natuurgebied de Zoeten en Zouten Haard een eigen, gescheiden van het lagere polderpeil van het naastgelegen gebied, waaronder de gronden van het plan, grondwaterpeil kent. In de Zoeten en Zouten Haard wordt het waterpeil kunstmatig op een streefpeil gehouden onder meer door een stuw.

Gelet hierop zal drainage binnen het plangebied geen belangrijke nadelige invloed hebben op de grondwaterstand in de Zoeten en Zouten Haard.

Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in geding zijnde natuurwaarden ten gevolge van drainage in het plangebied geen gevaar lopen.

Evenmin hebben zij aannemelijk gemaakt dat het plan negatieve gevolgen zal hebben voor de Zoeten en Zouten Haard, omdat verwezenlijking van het plan tot meer toeristen ter plaatse zal leiden. Hierbij is in aanmerking genomen dat de bestaande paden naar het strand door het natuurgebied samen met genoemde maatregelen die betreding van dit gebied anderszins tegengaan, verstoring van de Zoeten en Zouten Haard door extra toeristen kunnen voorkomen. In dit verband is nog van belang dat naast het plangebied al verblijfsrecreatie plaatsvindt en dat het gebruik van genoemde paden door veel toeristen weliswaar tot enige overlast leidt, maar geen bedreiging voor de natuurwaarden in de Zoeten en Zouten Haard vormt.

Overigens betreffen deze maatregelen en de daarmee gemoeide handhavingsmogelijkheden een kwestie van uitvoering die in het kader van deze procedure niet aan de orde kan komen.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat appellanten sub 1, mede gelet op hetgeen in overweging 2.5 over de openheid van het landschap ter plaatse is gesteld, niet aannemelijk hebben gemaakt dat het plan negatieve effecten op de natuurwaarden van de Zoeten en Zouten Haard met zich zal brengen.

2.6.4.    Over de stelling van appellanten sub 1 dat onzeker is of de benodigde ontheffingen op grond van de Flora- en faunawet kunnen worden verleend, overweegt de Afdeling het volgende.

Vast staat dat het plangebied niet ligt binnen een gebied dat is aangemeld als speciale beschermingszone op grond van de Habitatrichtlijn.

De vraag of voor de uitvoering van het bestemmingsplan ontheffingen op grond van de Flora- en faunawet nodig zijn en zo ja, of deze ontheffingen kunnen worden verleend, komt in beginsel pas aan de orde in de procedure op grond van de Flora- en faunawet. Dat doet er niet aan af dat verweerder geen goedkeuring aan het plan had mogen verlenen, indien en voorzover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

De stukken en het verhandelde ter zitting bieden geen aanknopingspunten voor de opvatting dat voorzover voor het plan ontheffingen op grond van de Flora- en faunawet vereist zijn, deze niet zouden kunnen worden verleend.

Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerder er in redelijkheid vanuit kon gaan dat hetgeen appellanten sub 1 op dit punt naar voren hebben gebracht niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg zal staan.

2.7.    Wat betreft de keuze voor de compensatielocatie Rampweg merkt de Afdeling nog op dat het bestaan van alternatieve vestigingsplaatsen op zichzelf geen grond vormt voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Gelet op al het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.

2.8.    Appellanten sub 4 hebben aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan voorzover daarin de gronden waaraan in het voorontwerp van het bestemmingsplan de bestemming “Uit te werken gebied voor verblijfsrecreatie“ was toegekend bij het ontwerp-bestemmingsplan en de vaststelling alsnog buiten het plangebied zijn gelaten. Zij wensen in het plangebied onder meer door hervestiging van de recreatieverblijfplaatsen van de gesaneerde camping De Berkenhof een camping te exploiteren nabij hun bestaande recreatiebedrijf. Appellanten sub 4 menen dat het plan in strijd met het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel tot stand is gekomen.

2.8.1.    De gemeenteraad heeft de percelen niet in het plan opgenomen, omdat de Provinciale Commissie Omgevingsbeleid een nieuwe camping niet noodzakelijk vindt nu nog slechts 35 gasten van De Berkenhof op zoek zijn naar een nieuwe recreatieverblijfplaats. Daarbij stelt hij over de plannen van appellanten sub 4 dat tijdens de voorbereiding van het (voor-)ontwerp-bestemmingsplan altijd het voorbehoud is gemaakt van een goedgekeurd bestemmingsplan. Daarnaast heeft de toenmalige eigenaar van De Berkenhof, anders dan de eigenaar van De Prinsenhoeve, zijn bedrijfsactiviteiten niet op een andere plaats willen voortzetten en daarmee beëindigd. De gemeenteraad meent dat de plannen van appellanten sub 4 nieuwvestiging van een camping betekenen, hetgeen in strijd is met het streekplan.

2.8.2.    Verweerder heeft geen reden gezien de plangrens in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij kan zich vinden in de motivering van de gemeenteraad en meent dat de in geding zijnde gronden niet binnen het plangebied hoeven te worden opgenomen.

2.8.3.    Het perceel aan de [locatie], kadastraal nummer […], waarop appellanten sub 4 voornemens zijn een camping te beginnen, ligt buiten het plangebied. De gronden binnen de grenzen van het plan hebben de bestemming “Uit te werken gebied voor verblijfsrecreatie”.

Blijkens de stukken hebben appellanten bij de voorbereiding van het ontwerp-bestemmingsplan plannen voor het exploiteren van een camping opgesteld. Aanleiding voor deze plannen was de sanering van camping De Berkenhof en de daarbij tussen de gemeente en de toenmalige eigenaar van deze camping overeengekomen inspanningsverplichting ongeveer 75 recreatieverblijfseenheden te verplaatsen. De plannen van appellanten sub 4, op verzoek van het college van burgemeester en wethouders gemaakt, beogen deze verplaatsing mogelijk te maken op een aan de [locatie] nieuw op te richten camping. Daarnaast blijkt uit de stukken dat gedurende genoemde voorbereiding - vóór de terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan – voor nog slechts 35 eenheden een nieuwe standplaats moest worden gevonden. De Provinciale Commissie Omgevingsbeleid zag hierin een belangrijke reden voor een negatieve reactie op het voorontwerp-bestemmingsplan. Vervolgens zijn de gronden, waarop in het voorontwerp-bestemmingsplan de hervestiging van de verblijfsplaatsen van de gesaneerde camping De Berkenhof nog was voorzien, in het ontwerp-bestemmingsplan noch in het plan opgenomen.

Gelet op de systematiek van de Wet op de Ruimtelijke Ordening komt de gemeenteraad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan.

Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de gemeenteraad een begrenzing kan vaststellen die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geoordeeld of anderszins in strijd is met het recht.

Appellanten sub 4 hebben niet aannemelijk gemaakt dat door of namens de gemeenteraad de toezegging is gedaan dat het perceel aan de [locatie] in het plan zou worden opgenomen. Blijkens de stukken zijn de plannen voor een camping ter plaatse van appellanten sub 4 weliswaar in een vergevorderd stadium geraakt, toch is hierbij reeds vanaf het begin, in de brief van 17 januari 2001 waarin genoemd verzoek is gedaan, het voorbehoud gemaakt dat de gemeenteraad met de plannen moest instemmen. De gemeenteraad heeft bij het ontbreken van een aan hem toe te rekenen toezegging, dan ook niet in strijd met het vertrouwensbeginsel besloten. Voor verweerder bestond derhalve geen aanleiding om op grond van het beweerdelijk niet honoreren van gerechtvaardigde verwachtingen door de gemeenteraad, goedkeuring aan het plan te onthouden.

Wat betreft de door appellanten sub 4 gemaakte vergelijking tussen de sanering van camping De Prinsenhoeve en van camping De Berkenhof overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat die situatie zodanig overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie, dat verweerder om deze reden niet heeft kunnen instemmen met de plangrens.

Daarbij is van belang dat de eigenaar van de gesaneerde camping De Prinsenhoeve, anders dan de toenmalige eigenaar van de camping De Berkenhof, zijn bedrijf aan de compensatielocatie Rampweg wilde voortzetten. Bovendien is met deze sanering verplaatsing van een veel groter aantal verblijfsrecreatieve eenheden gemoeid dan de hervestiging van ongeveer 35 eenheden van de gesaneerde camping De Berkenhof.

De Afdeling is, gelet op de stukken, van oordeel dat in dit geval verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat hij deze ook overigens terecht heeft goedgekeurd.

2.9.    Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het bestreden plan.

De beroepen zijn ongegrond.

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. R.H. Lauwaars en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman    w.g. Broekman

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2004

12-447.