Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR3748

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-10-2004
Datum publicatie
13-10-2004
Zaaknummer
200308687/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juni 1999 hebben dijkgraaf en heemraden van het waterschap IJsselmonde (hierna: dijkgraaf en heemraden) een verzoek van Waterleidingbedrijf Oost-IJsselmonde om nadeelcompensatie afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2004, 414 met annotatie van A. van Hall
JB 2004/373
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200308687/1.

Datum uitspraak: 13 oktober 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de naamloze vennootschap “N.V. Hydron Zuid-Holland”, gevestigd te Gouda, rechtsopvolger van de naamloze vennootschap “N.V. Watermaatschappij Zuid-Holland Oost” en “Waterleidingbedrijf Oost-IJsselmonde”,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 november 2003 in het geding tussen:

appellante

en

dijkgraaf en heemraden van het waterschap IJsselmonde.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 1999 hebben dijkgraaf en heemraden van het waterschap IJsselmonde (hierna: dijkgraaf en heemraden) een verzoek van Waterleidingbedrijf Oost-IJsselmonde om nadeelcompensatie afgewezen.

Bij besluit van 24 januari 2002 hebben dijkgraaf en heemraden het daartegen door N.V. Watermaatschappij Zuid-Holland Oost gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, een vergoeding toegekend van ƒ 187.255,00/€ 84.972,61, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 december 1988 tot aan de dag der voldoening, en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard. Dijkgraaf en heemraden zijn daarbij gedeeltelijk afgeweken van een advies van 9 november 2000 van de Awb hoor- en adviescommissie.

Bij uitspraak van 14 november 2003, verzonden op 19 november 2003, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 december 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 29 januari 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 27 april 2004 hebben dijkgraaf en heemraden van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 augustus 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. I.P.A. van Heijst, advocaat te Arnhem, vergezeld van P.K. Giethoorn, werkzaam bij appellante, en dijkgraaf en heemraden, vertegenwoordigd door mr. J.E.F.M. den Drijver-van Rijckevorsel, advocaat te Den Haag, vergezeld van ing. A. de Koning, directeur van dijkgraaf en heemraden, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.        Bij de voormelde besluiten hebben dijkgraaf en heemraden de Nadeelcompensatieregeling voor het verleggen van kabels en leidingen in Rijkswaterstaatwerken 1991, vastgesteld op 19 december 1991 en gepubliceerd in de Staatscourant van 23 december 1991 (hierna: de Regeling), toegepast.

       Volgens artikel 2, eerste lid, van de Regeling, voorzover thans van belang, kent de minister de belanghebbende die schade lijdt als gevolg van de opzegging van een vergunning op zijn verzoek een vergoeding toe, voorzover de vergoeding niet, of niet voldoende anderszins is verzekerd.

       Volgens het tweede lid - voorzover thans van belang - bestaat de in het eerste lid bedoelde vergoeding uit een percentage van het schadebedrag, overeenkomstig het volgende schema:

       Liggingsduur        Natte infrastructuur

       1e t/m 5e jaar         80%

       6e t/m 10e jaar        72%

       11e t/m 15e jaar        56%

       16e t/m 20e jaar        40%

       21e t/m 25e jaar        24%

       26e t/m 30e jaar        8%

       Volgens het derde lid kan van het gestelde in het tweede lid worden afgeweken, indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven.

2.1.1.    Volgens de toelichting op de laatste bepaling kan het derde lid ten nadele van de verzoeker worden toegepast. Dit zal bijvoorbeeld gebeuren indien kan worden aangetoond dat de verzoeker op enigerlei wijze het risico dat de kabels of leidingen binnen afzienbare termijn verwijderd moesten worden, heeft aanvaard.

2.2.        Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 augustus 1997 in zaak no. H01.96.0675; AB 1998, 37), is voor de beoordeling of sprake is van risicoaanvaarding beslissend of op het moment van de beslissing tot investeren aanleiding bestond rekening te houden met de kans dat de investering niet volledig rendabel zou kunnen worden gemaakt.

2.3.        Aan het besluit van 25 juni 1999 hebben dijkgraaf en heemraden ten grondslag gelegd dat appellante de investeringen voor de leidingen in de Ringdijk te Zwijndrecht en de Veersedijk te Hendrik-Ido-Ambacht heeft gedaan nadat de principeplannen voor die dijken waren vastgesteld. Daarmee heeft zij het risico aanvaard dat op grond van de principeplannen dijkversterkingen zouden worden uitgevoerd en de vergunningen voor het leggen van die leidingen zouden worden opgezegd.

Dijkgraaf en heemraden hebben het advies van 26 september 1997 van de adviescommissie Nadeelcompensatie om appellante een schadevergoeding toe te kennen van ƒ 914.887,16/€ 415.157,69 niet overgenomen.

       In bezwaar hebben dijkgraaf en heemraden - voorzover thans van belang - het besluit van 25 juni 1999 gehandhaafd, voorzover daarbij is overwogen dat appellante het risico heeft aanvaard dat de vergunningen zouden worden opgezegd.

2.4.        Appellante betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat voorzienbaarheid en risicoaanvaarding een minder grote rol spelen in het kader van de Regeling, die is opgesteld met de bedoeling om schade van nutsbedrijven te vergoeden.  

2.4.1.    Dit betoog wordt niet gevolgd. Uit de toelichting op artikel 2, derde lid, van de Regeling volgt dat geen schadevergoeding zal worden toegekend, indien de verzoeker op enigerlei wijze het risico heeft aanvaard dat de kabels of leidingen binnen afzienbare tijd moeten worden verwijderd. Dit duidt er niet op dat bij de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding minder betekenis wordt gehecht aan voorzienbaarheid en risicoaanvaarding.      

2.5.    Appellante klaagt verder dat de rechtbank heeft miskend dat de uitzonderingsmogelijkheid van artikel 2, derde lid, van de Regeling slechts in  haar nadeel kan worden toegepast, indien zij concreet het risico heeft aanvaard dat de leidingen binnen afzienbare termijn dienden te worden verlegd. Van een zodanige risicoaanvaarding is geen sprake, omdat ten tijde van het leggen van de leidingen niet precies bekend was hoe het profiel van de nieuwe dijk zou zijn.

2.5.1.    Die klacht faalt evenzeer. Gelet op voormelde uitspraak van 1 augustus 1997 is voor het aannemen van risicoaanvaarding niet vereist dat de uit te voeren werkzaamheden en de gevolgen daarvan zodanig concreet voorzienbaar zijn dat de verzoeker hiermee volledig rekening kon en moest houden op het moment van de beslissing tot investeren, maar of op dat moment aanleiding bestond rekening te houden met de kans dat de investering niet volledig rendabel zou kunnen worden gemaakt.

    De principeplannen voor de Ringdijk en de Veersedijk zijn onderscheidenlijk in 1965 en 1973 vastgesteld. De rechtsvoorgangers van appellante hebben in 1971 en 1981 leidingen aangelegd in de Ringdijk en in 1984 en 1985 in de Veersedijk. Naar dijkgraaf en heemraden hebben betoogd zijn er toentertijd intensieve contacten geweest tussen de rechtsvoorgangers van appellante en het waterschap en is er vanaf de eerste schetsplannen voor de dijkversterkingen informatie aan hen verstrekt over de stand van de planvorming door het hoofd van de technische dienst. Van de kant van appellante is erkend dat toentertijd overleggen met het hoofd van de technische dienst hebben plaatsgevonden, die volgens haar vooral waren bedoeld om op de hoogte te raken van de wederzijdse plannen, zodat daarop kon worden geanticipeerd teneinde de totale maatschappelijke kosten te beperken. Ter zitting heeft appellante voorts erkend dat zij destijds wist dat de dijken zouden worden verzwaard.

Onder die omstandigheden heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat dijkgraaf en heemraden zich niet op het standpunt hebben mogen stellen dat appellante er ten tijde van de investeringsbeslissingen rekening mee moest houden dat de leidingen als gevolg van dijkversterkingen zouden moeten worden verwijderd en dat zij derhalve het risico heeft aanvaard dat de investeringen die gemoeid waren met het leggen van de leidingen, niet volledig rendabel zouden kunnen worden gemaakt. Zij heeft dan ook terecht evenmin grond gevonden voor het oordeel dat dijkgraaf en heemraden het verzoek om schadevergoeding

- daaronder tevens begrepen de verzoeken om vergoeding van de meerkosten voor het voltooien van een nieuwe transportleiding en de kosten voor de aanleg van twee dijkkruisingen in 1971 in de Ringdijk - niet mochten afwijzen, zoals zij hebben gedaan.

2.6.    Appellante klaagt vervolgens dat ten onrechte een extra sterkte-eis is gesteld in een vergunning voor de voltooiing van een in 1979 gelegde pvc-leiding in de Veersedijk. Zij verzoekt vergoeding van de meerkosten als gevolg van deze sterkte-eis, omdat het dijkgraaf en heemraden niet vrij stond deze beleidswijziging, die niet zou voortvloeien uit de zogenaamde Pijpleidingencode, zonder vergoeding van meerkosten door te voeren.

2.6.1.    Vast staat dat appellanten tegen de in de vergunning gestelde sterkte-eis destijds niet is opgekomen. De vergunning heeft formele rechtskracht verkregen. Op de gestelde eis kan daarom thans niet teruggekomen worden in de vorm van schadevergoeding voor veronderstelde meerkosten. De klacht faalt.

2.7.    Het betoog van appellante dat de rechtbank er ten onrechte niet op is ingegaan dat het vertrouwensbeginsel er toe noopt dat het waterschap de door haar geleden schade vergoedt, treft evenmin doel, nu niet is gebleken dat het waterschap in rechte te honoreren toezeggingen heeft gedaan over vergoeding van de gestelde schade.      

2.8.        Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.    

2.9.     Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.C.M. Ramsahai, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk    w.g. Ramsahai

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2004

-401.