Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR3745

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-10-2004
Datum publicatie
13-10-2004
Zaaknummer
200401349/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 augustus 2003, kenmerk 20034401, heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek van appellanten om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot [inrichtinghoudster], gevestigd op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Gendringen, sectie […], nummers […].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200401349/1.

Datum uitspraak: 13 oktober 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Gendringen,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 19 augustus 2003, kenmerk 20034401, heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek van appellanten om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot [inrichtinghoudster], gevestigd op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Gendringen, sectie […], nummers […].

Bij besluit van 13 januari 2004, verzonden op 15 januari 2004, met kenmerk 2003i03081, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 13 februari 2004, bij de Raad van State per fax ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 24 februari 2004.

Bij brief van 27 april 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 augustus 2004, waar appellanten, van wie is verschenen [gemachtigde], en vertegenwoordigd door R.P. Zboray, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door C. Vermeer, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellanten hebben verweerder verzocht handhavend op te treden tegen het zonder adequate milieuvergunning uitvoeren van onder meer spuitwerkzaamheden in tussenhal 1-2 door inrichtinghoudster. Zij stellen overlast te ondervinden van deze activiteiten. Appellanten betogen dat de omstandigheid dat aan inrichtinghoudster voor het nemen van het bestreden besluit een revisievergunning is verleend, waarin – behoudens de spuitwerkzaamheden in tussenhal 1-2 – de voorheen niet-vergunde werkzaamheden zijn gelegaliseerd, er niet aan afdoet dat verweerder handhavend dient op te treden, omdat deze vergunning niet onherroepelijk is. Daarnaast zijn volgens appellanten, anders dan verweerder stelt, de niet-vergunde spuitwerkzaamheden in tussenhal 1-2 nimmer beëindigd. Gelet hierop hebben zij een processueel belang bij een oordeel over de rechtmatigheid van het primaire besluit en heeft verweerder hen ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard, aldus appellanten.

2.2.    Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat appellanten ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geen processueel belang meer hadden bij een oordeel over de rechtmatigheid van het primaire besluit. Dit omdat volgens verweerder destijds een revisievergunning was verleend ter legalisering van niet reeds eerder vergunde activiteiten. Tevens waren volgens hem reeds daarvoor de niet-vergunde spuitwerkzaamheden in tussenhal 1-2 beëindigd en was de gehanteerde spuitcabine buiten werking gesteld, aldus verweerder.

2.3.    Artikel 20.3, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt, voorzover hier van belang, dat een besluit als bedoeld in artikel 20.1, eerste lid, in werking treedt met ingang van de dag na de dag waarop de termijn afloopt voor het indienen van een bezwaarschrift. Indien gedurende die termijn bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van de State een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, treedt het besluit niet in werking voordat op dat verzoek is beslist.

2.4.    Allereerst stelt de Afdeling vast dat blijkens het verhandelde ter zitting ten tijde van het bestreden besluit in tussenhal 1-2 een spuitcabine aanwezig was. Uit de stukken noch uit het verhandelde ter zitting is gebleken of en zo ja wanneer en op welke wijze deze spuitcabine is ontmanteld. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder naar het oordeel van de Afdeling niet zonder meer kunnen concluderen dat de desbetreffende activiteiten ten tijde van het bestreden besluit waren beëindigd. Het besluit is dan ook in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, waarin is bepaald dat een bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen.

   Voorts stelt de Afdeling vast dat verweerder bij besluit van 25 november 2003, kenmerk mil.02-30, aan inrichtinghoudster een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer heeft verleend waarin mede niet eerder vergunde activiteiten van inrichtinghoudster, behoudens de spuitwerkzaamheden in tussenhal 1-2, zijn vergund. Dit besluit is op 24 december 2003 ter inzage gelegd. Appellanten hebben daartegen bij brief van 27 januari 2004 beroep ingesteld. Bij brief van 1 februari 2004 hebben appellanten bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan. Dit verzoek is door de Voorzitter bij uitspraak van 19 maart 2004, no. 200400831/2, afgewezen.

   De Afdeling overweegt dat blijkens het bepaalde in artikel 20.3, eerste lid, van de Wet milieubeheer het besluit van 25 november 2003, anders dan verweerder meent, ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog niet in werking was getreden. Daarvan was pas sprake op 19 maart 2004. Appellanten konden ten tijde van het bestreden besluit dan ook met hun bezwaar nog het door hen gewenste effect bereiken, namelijk het handhavend optreden tegen de desbetreffende activiteiten. Gelet hierop overweegt de Afdeling dat de motivering die verweerder in zoverre ten grondslag heeft gelegd aan zijn stelling dat appellanten geen processueel belang hebben bij hun bezwaar ondeugdelijk is. Het bestreden besluit is dan ook in zoverre in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.5.    Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

2.6.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Gendringen van 13 januari 2004, kenmerk 2003i03081;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Gendringen in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 322,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Gendringen te worden betaald aan appellanten;

IV.    gelast dat de gemeente Gendringen aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 116,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.G.C. Wiebenga, Voorzitter, en mr. Ch.W. Mouton en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

w.g. Wiebenga    w.g. Melse

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2004

191-375.