Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR3739

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-10-2004
Datum publicatie
13-10-2004
Zaaknummer
200406086/1 en 200406087/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

200406086/1: Bij besluit van 6 juli 2004, kenmerk NL110957, heeft verweerder bezwaar gemaakt tegen het voornemen van verzoekster om, met gebruikmaking van de procedure als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Verordening 259/93/EEG van 1 februari 1993, betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (hierna: de EVOA), 250.000 kilogram gemengde restfractie van de sortering van bouw- en sloopafval, grof huishoudelijk afval en bedrijfsafval over te brengen naar de rechtspersoon naar Duits recht [partij A] te [plaats] ([land]).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2004/76 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200406086/1 en 200406087/1.

Datum uitspraak: 5 oktober 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te [plaats] ([land]),

en

de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

verweerder.

1.    Procesverloop

200406086/1: Bij besluit van 6 juli 2004, kenmerk NL110957, heeft verweerder bezwaar gemaakt tegen het voornemen van verzoekster om, met gebruikmaking van de procedure als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Verordening 259/93/EEG van 1 februari 1993, betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (hierna: de EVOA), 250.000 kilogram gemengde restfractie van de sortering van bouw- en sloopafval, grof huishoudelijk afval en bedrijfsafval over te brengen naar de rechtspersoon naar Duits recht [partij A] te [plaats] ([land]).

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.

Bij brief van 20 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen op 21 juli 2004, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

200406087/1: Bij besluit van 6 juli 2004, kenmerk NL110960, heeft verweerder bezwaar gemaakt tegen het voornemen van verzoekster om, met gebruikmaking van de procedure als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Verordening, 5.000.000 kilogram gemengde restfracties afkomstig van de sortering van bouw- en sloopafval, grof huishoudelijk afval en bedrijfsafval over te brengen naar de rechtspersoon naar Duits recht [partij A] te [plaats] ([land]).

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.

Bij brief van 20 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen op 21 juli 2004, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 16 september 2004, waar verzoekster, vertegenwoordigd door A. Oswalt, gemachtigde, en bijgestaan door mr. J.P. Brinkman, advocaat te Doetinchem, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M. Piras en drs. S.A.N. Geerling, ambtenaren van het ministerie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ter zitting heeft verzoekster de grond dat verweerder buiten de ingevolge de EVOA geldende termijn van 30 dagen bezwaar heeft gemaakt tegen de voorgenomen overbrengingen ingetrokken.

2.2.    Verweerder heeft blijkens het bestreden besluit bezwaar gemaakt tegen het voornemen van verzoekster om de genoemde afvalstoffen uit te voeren met toepassing van de procedure van algemene kennisgeving als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de EVOA, omdat volgens hem niet wordt voldaan aan de daarvoor gestelde vereisten. Verweerder heeft zich, kort gezegd, op het standpunt gesteld dat, mede gelet op het bepaalde in paragraaf 12.3.1 van het Landelijk Afvalbeheerplan 2002 – 2012 (hierna: het LAP), niet gegarandeerd kan worden dat iedere afzonderlijke overbrenging van afvalstoffen over dezelfde fysische en chemische eigenschappen beschikt, omdat een beschrijving van de samenstelling van de afvalstoffen en een systematische sortering in de inrichting ontbreekt. Verder stelt verweerder dat met betrekking tot de kennisgeving met kenmerk NL110960 niet duidelijk is dat eenzelfde transportroute wordt gebruikt omdat de afvalstoffen (ook) vervoerd zullen worden vanaf het terrein van [partij B].

2.3.    Verzoekster kan zich niet met het bestreden besluit verenigen. Zij is van mening dat alle voor de beoordeling van de voorgenomen overbrenging benodigde informatie over de afvalstoffen vallen onder de code 191212. Hieruit volgt volgens haar dat de afvalstoffen dezelfde fysische en chemische eigenschappen hebben. Verder betoogt zij dat de transportroute niet plaatsvindt vanaf het bedrijfsterrein van [partij B], doch dat op dit bedrijfsterrein het afval uitsluitend tijdelijk wordt gedeponeerd.

2.4.    Ingevolge artikel 28, eerste lid, van de Verordening kan met inachtneming van zijn verplichtingen uit hoofde van de toepasselijke artikelen 3, 6, 9, 15, 17, 20, 22, 23 en 24 de kennisgever gebruik maken van een procedure van algemene kennisgeving, wanneer voor verwijdering of nuttige toepassing bestemde afvalstoffen met dezelfde fysische en chemische eigenschappen periodiek via dezelfde route naar dezelfde ontvanger worden overgebracht. Indien deze route wegens onvoorziene omstandigheden niet kan worden gevolgd, brengt de kennisgever de betrokken bevoegde autoriteiten daarvan op de hoogte, zo spoedig mogelijk of voordat de overbrenging begint, indien de noodzaak van routewijziging op dat moment al bekend is. Wanneer de routewijziging bekend is voordat de overbrenging begint, en inhoudt dat andere autoriteiten bevoegd zijn dan die waarvan sprake is in de algemene kennisgeving, wordt deze procedure niet gebruikt.

   Ingevolge artikel 3, vierde lid, van de Verordening vult de kennisgever in het kader van de kennisgeving het begeleidende document volledig in en verstrekt op verzoek van de bevoegde autoriteiten aanvullende informatie en documentatie.

   Ingevolge artikel 3, vijfde lid, van de Verordening verstrekt de kennisgever op het begeleidende document in het bijzonder informatie over:

- de oorsprong, samenstelling en hoeveelheid van de voor verwijdering bestemde afvalstoffen alsmede, in het in artikel 2, letter g, onder ii), bedoelde geval, de identiteit van de producent; bij afvalstoffen van uiteenlopende oorsprong een gedetailleerde inventaris van de afvalstoffen alsmede, indien bekend, de identiteit van de oorspronkelijke producenten;

- de getroffen regelingen inzake de te volgen route en inzake verzekering tegen schade aan derden;

- de te treffen maatregelen om de vervoersveiligheid te waarborgen en met name de inachtneming door de vervoerder van de voorwaarden die door de betrokken Lid-Staten aan het vervoer zijn gesteld;

- de identiteit van de ontvanger van de afvalstoffen, de plaats van het verwijderingscentrum en het type en de duur van de bedrijfsvergunning. Het centrum moet technisch geschikt zijn voor de verwijdering van de betrokken afvalstoffen onder omstandigheden die geen gevaar opleveren voor de volksgezondheid of het milieu;

- de handelingen op het gebied van verwijdering, genoemd in bijlage II A van Richtlijn 75/442/EEG.

2.5.    Om te kunnen beoordelen of sprake is van overbrenging van afvalstoffen als bedoeld in artikel 28 van de Verordening, dient verzoekster in ieder geval de in artikel 3, vijfde lid, van de Verordening genoemde informatie te verstrekken. De door verzoekster gedane kennisgevingen hebben betrekking op de afvalstoffen met de code 191212. In de bij de kennisgevingen gevoegde toelichtingen staat beschreven wat de samenstelling is van de afvalstoffen met de code 191212. Gelet hierop is de Voorzitter van oordeel dat voldoende duidelijk is wat de samenstelling is van de afvalstoffen waarvoor de kennisgevingen zijn gedaan.

   Voorzover verweerder zijn bezwaar tegen de toepassing van de procedure van algemene kennisgeving met kenmerk NL110960 heeft gebaseerd op de grond dat niet duidelijk is dat eenzelfde transportroute wordt gebruikt, overweegt de Voorzitter het volgende. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is onweersproken gebleken dat indien het transport bij hoge uitzondering niet naar Duitsland kan worden overgebracht, het afval tijdelijk zal worden gedeponeerd bij [partij B] en dat de vermelding hiervan in de toelichting op het kennisgevingsformulier geen betrekking heeft op de transportroute. Gelet hierop is de Voorzitter van oordeel dat uit de kennisgeving en de toelichting daarop voldoende blijkt dat het transport van de afvalstoffen waarvoor de algemene kennisgeving met kenmerk NL110960 is gedaan, via dezelfde route verloopt.

   Ten aanzien van het standpunt van verweerder dat geen sprake is van afvalstoffen met dezelfde fysische en chemische eigenschappen, overweegt de Voorzitter het volgende. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verweerder de handmatige sortering en sortering met shovel of mobiele kraan niet toereikend acht om per vracht dezelfde fysische en chemische eigenschappen van de over te brengen afvalstoffen te kunnen garanderen.

   De Voorzitter is gelet op het voorgaande van oordeel dat het enkele feit dat de inrichting niet beschikt over een sorteerinstallatie onvoldoende is om op voorhand vast te stellen dat de afvalstoffen niet aan de kennisgeving zullen voldoen. Verweerder heeft de inrichting niet bezocht om vast te stellen dat de sortering die plaatsvindt in de inrichting van verzoekster onvoldoende is om te kunnen voldoen aan de kennisgeving. De Voorzitter is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht ingevolge waarvan verweerder onderzoek dient te doen naar de relevante feiten en het bestreden besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.

2.6.    Gelet hierop dienen de verzoeken tot schorsing van de bestreden besluiten te worden toegewezen. Nu de onderhavige overbrengingen zien op afvalstoffen als bedoeld in artikel 10 van de Verordening en derhalve schriftelijke instemming is vereist alvorens tot uitvoer kan worden overgegaan, ziet de Voorzitter, gezien het belang van verzoekster bij de spoedige overbrenging van de afvalstoffen naar Duitsland, aanleiding daaromtrent tevens een voorlopige voorziening te treffen.

2.7.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. De onderhavige zaken zijn naar het oordeel van de Voorzitter samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Gelet hierop bestaat er aanleiding de hiervoor in aanmerking komende kosten slechts één maal te vergoeden.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening de besluiten van de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 6 juli 2004, kenmerken NL110957 en NL110960;

II.    treft de voorlopige voorziening dat met het doen van deze uitspraak geacht wordt schriftelijk instemming te zijn verleend overeenkomstig de kennisgevingsformulieren met de kenmerken NL110957 en NL110960;

III.    veroordeelt de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in de door verzoekster in verband met de behandeling van de verzoeken gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de Staat der Nederlanden (het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) te worden betaald aan verzoekster;

IV.    gelast dat de Staat der Nederlanden (het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan verzoekster het door haar voor de behandeling van de verzoeken betaalde griffierecht (€ 546,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Beekhuis    w.g. Plambeck

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2004

159-396.