Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR3371

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-10-2004
Datum publicatie
06-10-2004
Zaaknummer
200307901/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 juli 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leiden (hierna: het college) - voorzover hier van belang - een gedeelte van de Witte Singel te Leiden tussen de Bilderdijkstraat en de noordelijke aansluiting van de Groenhovenstraat (hierna: het weggedeelte) aangewezen als weg waarop maximaal 30 kilometer per uur mag worden gereden door plaatsing van de borden model A1, 30 kilometer per uur, ter hoogte van de [locatie] en ter hoogte van de noordelijke aansluiting van de Groenhovenstraat op de Witte Singel.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2004/369
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200307901/1.

Datum uitspraak: 6 oktober 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 11 november 2003 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leiden (hierna: het college) - voorzover hier van belang - een gedeelte van de Witte Singel te Leiden tussen de Bilderdijkstraat en de noordelijke aansluiting van de Groenhovenstraat (hierna: het weggedeelte) aangewezen als weg waarop maximaal 30 kilometer per uur mag worden gereden door plaatsing van de borden model A1, 30 kilometer per uur, ter hoogte van de [locatie] en ter hoogte van de noordelijke aansluiting van de Groenhovenstraat op de Witte Singel.

Bij brief van 23 december 2001 heeft appellant bij de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar.

Bij besluit van 13 mei 2002 heeft het college het door appellant tegen het besluit van 3 juli 2001 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 november 2003, verzonden op 13 november 2003, heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard voorzover dat betrekking heeft op de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de weigering tot afgifte van een schadebesluit, in zoverre het bestreden besluit vernietigd, het bezwaar van appellant in zoverre alsnog niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 13 mei 2002. Voorts heeft de rechtbank het beroep voorzover dat betrekking heeft op het uitblijven van een beslissing op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 25 november 2003, bij de Raad van State ingekomen op 26 november 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 22 december 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 4 maart 2004 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 12 juni 2004 heeft appellant een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 juni 2004, waar appellant in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Lever, advocaat te Leiden, en J.H. Hogendoorn, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het betoog van appellant dat de rechtbank het beroep van 23 december 2001 tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar ongegrond had moeten verklaren, en niet niet-ontvankelijk, faalt. Terecht en op juiste gronden heeft de rechtbank bedoeld beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat hangende het beroep op 13 mei 2002 alsnog een beslissing op bezwaar is genomen, en niet gebleken is dat appellant na die datum nog procesbelang had bij het beroep van 23 december 2001.

2.2.    Appellant betoogt tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven omdat de op de zaak betrekking hebbende stukken niet, zoals ingevolge artikel 7:4, van de Awb is vereist, voorafgaand aan het horen gedurende ten minste een week voor belanghebbenden ter inzage hebben gelegen. Door het college is weliswaar niet weersproken dat bedoelde stukken niet ter inzage hebben gelegen, zodat de Afdeling er van uitgaat dat artikel 7:4, van de Awb niet is nageleefd, maar nu door appellant niet is gesteld en ook overigens niet is gebleken dat appellant, die gehoord is alvorens de beslissing op bezwaar is genomen, hierdoor is benadeeld, is er geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte de beslissing op bezwaar op dit punt in stand heeft gelaten. Hetgeen appellant overigens ten aanzien van de hoorplicht heeft aangevoerd biedt evenmin grond voor dat oordeel.

2.3.    Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de wet) - zoals dit luidde ten tijde hier van belang - kunnen de krachtens de wet vastgestelde regels strekken tot:

a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;

b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;

c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.

   Ingevolge artikel 15, tweede lid, van de wet geschieden maatregelen op of aan de weg tot wijziging van de inrichting van de weg of tot het aanbrengen of verwijderen van voorzieningen ter regeling van het verkeer krachtens een verkeersbesluit, indien de maatregelen leiden tot een beperking of uitbreiding van het aantal categorieën weggebruikers dat van een weg of weggedeelte gebruik kan maken.

   Ingevolge artikel 20 van de wet kan een belanghebbende tegen een verkeersbesluit tot plaatsing of verwijdering van verkeerstekens en onderborden of tot het treffen van maatregelen op of aan de weg ter regeling van het verkeer beroep instellen bij de rechtbank.

   Ingevolge artikel 20, aanhef en onder a, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 geldt voor motorvoertuigen binnen de bebouwde kom een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur.

   Hoofdstuk II, paragraaf 4, van de Uitvoeringsvoorschriften BABW inzake verkeerstekens (hierna: de Uitvoeringsvoorschriften) bevat, voorzover hier van belang, voorschriften voor de toepassing van bord A1 (maximumsnelheid).

   Ingevolge evengenoemde paragraaf van de Uitvoeringsvoorschriften, onder 1, dient de in te stellen maximumsnelheid in overeenstemming te zijn met het wegbeeld ter plaatse. Dit betekent dat waar nodig de omstandigheden op zodanige manier zijn aangepast dat de beoogde snelheid redelijkerwijs voortvloeit uit de aard en de inrichting van de betrokken weg en van zijn omgeving.

   Ingevolge voornoemde paragraaf, onder 2, aanhef en onder a, worden binnen de bebouwde kom geen andere dan de volgende maximumsnelheden vastgesteld:

- op wegvakken: 70, 30 kilometer per uur

- bij gevarenpunten: 30, 20 kilometer per uur.

   Ingevolge voornoemde paragraaf, onder 4, voorzover hier van belang, mag bord A1 (30 kilometer per uur binnen de bebouwde kom) op wegvakken slechts worden toegepast indien wordt voldaan aan onder meer de eis dat iedere weg in het betrokken gebied voornamelijk een verblijfsfunctie heeft.

2.4.    Het college heeft uit een oogpunt van verkeersveiligheid een bochtig deel van de Witte Singel, op welke weg voorheen maximaal 50 kilometer per uur mocht worden gereden, aangemerkt als weggedeelte waarop maximaal 30 kilometer per uur mag worden gereden. Ter uitvoering van dit besluit zijn diverse maatregelen getroffen, zoals het aanleggen van verkeersplateaus en verkeersdrempels. Het verkeersbesluit maakt deel uit van het “Herinrichtingsplan Witte Singel”, waarbij de Witte Singel als wijkontsluitingsweg is aangemerkt.

2.5.    Tussen partijen is niet in geschil dat het uit veiligheidsoogpunt wenselijk is om op het bochtige middengedeelte van de Witte Singel een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur in te voeren.

2.6.    Appellant komt - kort samengevat - op tegen de wijze van inrichting van het bochtige weggedeelte, nu deze naar zijn oordeel niet zodanig is dat daar niet te snel wordt gereden en verkeersonveilige situaties niet optimaal worden voorkomen. Appellant betoogt dat het weggedeelte als erftoegangsweg dient te worden aangemerkt en moet worden betrokken bij het gebied van zijstraten waarin eveneens maximaal 30 kilometer per uur mag worden gereden. Voorts voert hij aan dat de hoeveelheid geplaatste borden verminderd dient te worden door het weggedeelte als een 30-kilometerzone aan te merken, en dat het wenselijk is om op de gehele Witte Singel een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur in te voeren. Tenslotte betoogt hij dat het verkeersbesluit strijdig is met de Uitvoeringsvoorschriften, nu de Witte Singel niet voornamelijk een verblijfsfunctie heeft, en de omstandigheden op de Witte Singel evenmin op zodanige manier zijn aangepast dat de beoogde snelheid van 30 kilometer per uur redelijkerwijs voortvloeit uit de aard en de inrichting van de betrokken weg en zijn omgeving, alsmede dat ten onrechte aan zijn bezwaren inzake de wijze van aanleg van drempels en plateaus voorbij is gegaan.

2.7.    De Afdeling stelt voorop dat het (verkeers)besluit van 31 juli 2001  - voorzover hier van belang - uitsluitend ziet op het reguleren van de snelheid op de Witte Singel. Dit besluit bevat geen ondersteunende maatregelen als de aanleg van verkeersplateaus en verkeersdrempels. In verband hiermee konden de op die ondersteunende maatregelen betrekking hebbende bezwaren niet worden beoordeeld, nog daargelaten of juist is de door appellant opgeworpen stelling dat artikel 20 van de wet met zich brengt dat alle in een verkeersbesluit vervatte maatregelen vatbaar zijn voor bezwaar en beroep.

2.8.    Voorts behoorde de door appellant gewenste aanwijzing van de gehele Witte Singel tot 30-kilometerzone niet tot de mogelijkheden nu deze singel - naar niet in geschil is - een doorgaande weg is en derhalve niet voornamelijk een verblijfsfunctie heeft, zoals voor een geheel wegvak vereist op grond van het bepaalde onder 4 van voornoemde paragraaf van de Uitvoeringsvoorschriften.

Anders dan appellant heeft aangevoerd, is het verkeersbesluit niet strijdig met de Uitvoeringsvoorschriften, nu niet kan worden staande gehouden dat het college het bochtige weggedeelte niet als een gevaarlijk punt kon aanmerken, zodat ingevolge de Uitvoeringsvoorschriften daarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur kan worden ingevoerd.

Mede in aanmerking genomen de ruime beoordelingsvrijheid die het college heeft ter zake van besluiten als het onderhavige valt niet in te zien dat het college tot een onjuiste afweging is gekomen bij de bepaling van het begin- en eindpunt van het deel van de Witte Singel waarbinnen maximaal 30 kilometer per uur mag worden gereden, met welke keuze enerzijds is beoogd dat de rijsnelheid reeds omlaag is gebracht voordat de Witte Singel bochtig wordt en anderzijds de borden niet op te grote afstand van de bochten zijn geplaatst vanuit een oogpunt van handhaafbaarheid.

2.9.    Appellant heeft voorts betoogd dat de rechtbank heeft miskend dat hij bezwaar heeft gemaakt tegen het niet nemen van een onzelfstandig schadebesluit door het college, en dat hij het college niet heeft verzocht om een zelfstandig schadebesluit te nemen.

   Dit betoog leidt er niet toe dat het oordeel van de rechtbank niet in stand kan blijven. Appellant heeft zijn verzoek om schadevergoeding gebaseerd op de gestelde waardedaling van zijn woning ten gevolge van de trillingshinder welke zou ontstaan ten gevolge van de aanleg van verkeersdrempels. Zoals hiervoor is overwogen, kan appellant in deze procedure niet opkomen tegen de aanleg van de verkeersdrempels. Mitsdien kan hij evenmin opkomen tegen het niet nemen van een met die aanleg samenhangend, al dan niet zelfstandig, schadebesluit.

2.10.    Hetgeen appellant overigens in hoger beroep heeft aangevoerd leidt evenmin tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven.

2.11.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden waarop deze berust, te worden bevestigd.

2.12.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin    w.g. Matulewicz

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2004

45-450.