Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR3364

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-10-2004
Datum publicatie
06-10-2004
Zaaknummer
200400726/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 september 2002 heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: het college) het Stimuleringsplan Natuur, Bos en Landschap Zuid-Limburg-Zuid (hierna: het Stimuleringsplan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2004/4325
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200400726/1.

Datum uitspraak: 6 oktober 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 16 december 2003 in het geding tussen:

appellant

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 24 september 2002 heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: het college) het Stimuleringsplan Natuur, Bos en Landschap Zuid-Limburg-Zuid (hierna: het Stimuleringsplan) vastgesteld.

Bij uitspraak van 16 december 2003, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 januari 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 12 februari 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 23 maart 2004 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het onderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 augustus 2004, waar appellant in persoon en het college, vertegenwoordigd door drs. G. Verschoor, ambtenaar bij de provincie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Bij besluiten van 20 december 1999, Stcrt. 1999, 252, heeft de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, onder meer gelet op de artikelen 2 en 4 van de Kaderwet LNV-subsidies, de Subsidieregeling natuurbeheer 2000 (hierna: de Regeling SN) en de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer vastgesteld (hierna: de Regeling SAN).

2.1.1.    Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef, van de Regeling SN, voorzover hier van belang, worden ten behoeve van de uitvoering van deze regeling natuurgebieden begrensd met de vaststelling van natuurgebiedsplannen.

   In de Regeling SAN is voor landschapsgebieden en landschapsgebiedsplannen een soortgelijke bepaling vervat in artikel 12, eerste lid, aanhef, en voor beheersgebieden en beheersgebiedsplannen in artikel 10, eerste lid, aanhef.

2.2.    Het Stimuleringsplan is een natuurgebieds- en beheersgebiedsplan in het kader van deze bepalingen.

2.3.    Appellant betoogt in hoger beroep dat de rechtbank hem ten onrechte niet als belanghebbende bij de vaststelling van het Stimuleringsplan heeft aangemerkt. Hiertoe voert hij aan dat hij huurder is van twee ligplaatsen voor zeilboten binnen het gebied van het Stimuleringsplan en dat hij momenteel ter voorkoming van verstening van de Maarlander Broek procedeert tegen het herziene bestemmingsplan “Bedrijventerrein Eijsden-Maastricht”. Verder verwijst appellant naar de uitspraak van de Afdeling van 12 maart 1998 in zaak no. H01.97.0182, waarbij appellanten wel als belanghebbenden zijn aangemerkt.

2.3.1.    Dit betoog faalt. De Regelingen SN en SAN maken het – kort gezegd – mogelijk dat aan eigenaren en pachters van terreinen binnen, in het kader van deze regelingen vastgestelde, gebiedsplannen subsidie kan worden verleend ter bevordering en instandhouding van natuurwaarden binnen de plangebieden. Vast staat dat appellant geen eigenaar of pachter is van een terrein gelegen binnen het plangebied en aldus aan de regelingen geen aanspraken kan ontlenen. Zijn belang is dan ook niet rechtstreeks betrokken bij de vaststelling van het Stimuleringsplan, zodat hij ter zake niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan worden aangemerkt. Het feit dat hij in het gebied ligplaatsen huurt maakt dat niet anders. De door appellant aangehaalde uitspraak kan hem niet baten nu de daarbij betrokkenen allen als eigenaren en pachters belanghebbenden waren. Dat appellant zich de natuurwaarden van het gebied aantrekt en om die reden procedeert tegen het genoemde bestemmingsplan, welk plangebied grenst aan het gebied waarvoor het Stimuleringsplan is vastgesteld, maakt hem evenmin tot belanghebbende bij de vaststelling van het Stimuleringsplan nu dit geen persoonlijk belang oplevert dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen.

Uit artikel 1:2, derde lid, van de Awb volgt, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 3 september 2003 in zaak no. 200205030/1 (JB 2003/292), dat voor het opkomen in rechte ter behartiging van algemene en collectieve belangen de eis van rechtspersoonlijkheid geldt om als belanghebbende te worden aangemerkt. Gelet hierop kan appellant, voor zover hij beoogt op te komen voor die belangen, ten aanzien van het in geding zijnde Stimuleringsplan evenmin als belanghebbende worden aangemerkt.

   Dat appellant in het kader van de bestemmingsplanherziening wel ter behartiging van natuurwaarden in dat gebied kan procederen vloeit voort uit de Wet op de Ruimtelijke Ordening die daarvoor het zijn van belanghebbende niet vereist. Hetzelfde geldt voor de uitgebreide voorbereidingsprocedure als bedoeld in Afdeling 3.5 van de Awb, zoals die aan de vaststelling van het Stimuleringsplan is voorafgegaan, en waarin appellant ook zijn bedenkingen heeft kunnen indienen.

   De rechtbank is, gelet op het voorgaande, terecht tot de slotsom gekomen dat het beroep van appellant niet-ontvankelijk diende te worden verklaard, zij het dat de rechtbank daarbij ten onrechte heeft overwogen dat appellant geen procesbelang heeft omdat hij met het proces niet het gewenste doel kan bereiken.

2.4.    Het hoger beroep van appellant is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden, te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. Ch.W. Mouton en mr. J.H. van Kreveld, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Van Meurs-Heuvel

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2004

47-465.