Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR3361

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-10-2004
Datum publicatie
06-10-2004
Zaaknummer
200301611/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 juni 2001 de Staatssecretaris van Financiën (hierna: de staatssecretaris) appellante medegedeeld dat op 16 maart 2001 aan de Belgische fiscale autoriteiten inlichtingen zijn verstrekt, bestaande uit de inhoud van de afspraak gemaakt tussen de Belastingdienst/Grote ondernemingen Breda en de heer mr. A.W.M. Ebben (hierna: Ebben), namens appellante, vastgelegd in een schrijven van de Belastingdienst/Grote ondernemingen Breda, gedateerd 30 november 2000.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200301611/1.

Datum uitspraak: 6 oktober 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 13 februari 2003 in het geding tussen:

appellante

en

de Staatssecretaris van Financiën.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 21 juni 2001 de Staatssecretaris van Financiën (hierna: de staatssecretaris) appellante medegedeeld dat op 16 maart 2001 aan de Belgische fiscale autoriteiten inlichtingen zijn verstrekt, bestaande uit de inhoud van de afspraak gemaakt tussen de Belastingdienst/Grote ondernemingen Breda en de heer mr. A.W.M. Ebben (hierna: Ebben), namens appellante, vastgelegd in een schrijven van de Belastingdienst/Grote ondernemingen Breda, gedateerd 30 november 2000.

Bij besluit van 10 oktober 2001 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 februari 2003, verzonden op14 februari 2003, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 maart 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 25 april 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 16 juni 2003 heeft de staatssecretaris van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 augustus 2004, waar  appellante, vertegenwoordigd door mr. A.M.E. Neuyens, advocaat te Breda, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. E.E. Schipper, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    De brief van 30 november 2000 bevat onder meer verklaringen van  Ebben over het vermogen van appellante alsmede van wijlen [naam] in persoon en over door Ebben geconstateerde zwartloonbetalingen aan het personeel van appellante. Tevens is daarin de afspraak vastgelegd dat Ebben duidelijkheid verschaft inzake de opbouw van voornoemd vermogen en is opgenomen op welke wijze naheffing zal plaatsvinden in verband met de zwartloonbetalingen. Voorts is vermeld dat voor zover een en ander leidt tot in België te belasten inkomsten van wijlen [naam], dit aan de Belgische fiscale autoriteiten zal worden gemeld.

2.2.    Appellante bestrijdt niet de juistheid van de afgelegde verklaringen en de in de brief opgenomen afspraken. Zij wenst desalniettemin een uitspraak over de rechtmatigheid van de verstrekking van deze inlichtingen aan de Belgische fiscale autoriteiten.

2.3.    Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling is er onvoldoende grond voor de behandeling van een (hoger) beroep dat uitsluitend is gericht op het verkrijgen van een antwoord op een principiële vraag. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij als gevolg van de inlichtingenverstrekking in enigerlei opzicht schade heeft geleden of zou kunnen lijden. Het enige wat appellante in dit verband naar voren heeft gebracht, te weten dat op basis van de in de brief vervatte informatie in België wellicht onjuiste (fiscale) besluiten jegens de erfgenamen van [naam] zullen worden genomen en die erfgenamen vervolgens de nadelige gevolgen van dergelijke besluiten mogelijk op haar zullen verhalen, is daartoe volstrekt onvoldoende. De rechtbank is reeds in verband met het vorenoverwogene terecht tot het oordeel gekomen dat van enig rechtens te honoreren belang bij de beoordeling van het beroep van appellante geen sprake is. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Haverkamp, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Haverkamp

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2004

306.