Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR3360

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-10-2004
Datum publicatie
06-10-2004
Zaaknummer
200400976/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 december 2001 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland op basis van de Subsidieregeling Natuurbeheer 2000 het Natuurgebiedsplan Lekuiterwaarden Lexmond-Everdingen (hierna: het natuurgebiedsplan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200400976/1.

Datum uitspraak: 6 oktober 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 18 december 2003 in het geding tussen:

appellant

en

het college van Gedeputeerde Staten van Utrecht.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 3 december 2001 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland op basis van de Subsidieregeling Natuurbeheer 2000 het Natuurgebiedsplan Lekuiterwaarden Lexmond-Everdingen (hierna: het natuurgebiedsplan) vastgesteld.

Met ingang van 1 januari 2002 is de gemeente Vianen heringedeeld bij de provincie Utrecht met als gevolg dat het college van gedeputeerde staten van Utrecht (hierna: het college) in de plaats is getreden van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland.

Bij uitspraak van 18 december 2003, verzonden op 30 december 2003, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het tegen het besluit van 3 december 2001 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 februari 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 8 april 2004 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 augustus 2004, waar het college, vertegenwoordigd door drs. M.M.W. Hoevenaars en mr. N.M. de Vries, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Appellant is met bericht niet ter zitting verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Bij besluit van 20 december 1999, Stcrt. 1999, 252, heeft de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, onder meer gelet op de artikelen 2 en 4 van de Kaderwet LNV-subsidies, de Subsidieregeling Natuurbeheer 2000 (hierna: de Regeling) vastgesteld.

2.2.    Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef, van de Regeling worden natuurgebieden begrensd met de vaststelling van natuurgebiedsplannen.

   Ingevolge artikel 14, eerste lid, worden natuurgebiedsplannen vastgesteld en gewijzigd bij besluit van gedeputeerde staten van de provincie waarin het desbetreffende gebied is gelegen.

   Ingevolge artikel 94 is het Bureau Beheer Landbouwgronden, telkens wanneer met betrekking tot één of meer gronden, die zijn gelegen in een gebied als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel f, onderscheidenlijk g, aan het bureau een recht van eigendom of een daarvan afgeleid beperkt gebruiksrecht wordt aangeboden, gehouden het hem aangeboden recht te verwerven.

2.3.    Appellant voert in hoger beroep hetzelfde aan als in beroep bij de rechtbank. Zijn beroep komt erop neer dat hij van mening is dat zijn perceel, kadastraal bekend gemeente Vianen, nummer K157, waar zijn boerderij met bedrijfsgebouwen zijn gelegen, niet in het natuurgebiedsplan diende te worden opgenomen en dat bij de vaststelling ervan onvoldoende rekening is gehouden met zijn belangen. Appellant betwijfelt daarnaast of het natuurgebiedsplan geen planologische werking heeft.

2.4.    De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geconcludeerd dat de inhoud en de begrenzing van het natuurgebiedsplan niet onredelijk is of onzorgvuldig tot stand is gekomen. Niet kan dan ook worden staande gehouden dat het college zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het perceel van appellant, ondanks dat zich daarop bedrijfsbebouwing bevindt, van belang is bij het streven naar een samenhangend netwerk van natuurgebieden (de Ecologische Hoofdstructuur).

2.5.    Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de vaststelling van het natuurgebiedsplan in planologisch opzicht geen directe gevolgen heeft voor de in dat gebied gelegen landbouwgronden met opstallen van appellant, omdat door die vaststelling noch de bestemming van die gronden, noch het gebruik daarvan wordt gewijzigd. Het bestaande gebruik kan derhalve worden voortgezet.

   Wel moet onder ogen worden gezien dat de vaststelling van het natuurgebiedsplan van invloed kan zijn op de toekomstige bedrijfsvoering van appellant in dier voege dat zijn bedrijf beperkingen kan ondervinden in de mate waarin het natuurgebiedsplan wordt gerealiseerd. Ook valt niet uit te sluiten dat dit indirecte effecten heeft voor de waarde van het bedrijf en de daartoe behorende landbouwgronden in het vrije economische verkeer.

   Dit mogelijke indirecte gevolg raakt het belang van appellant en dient derhalve bij de besluitvorming betrokken en afgewogen te worden.

   Gelet op de stukken, het verhandelde ter zitting en de verwervingsplicht van het bureau beheer landbouwgronden om de aangeboden in natuurgebiedsplannen liggende gronden tegen agrarische marktwaarde aan te kopen, bestaat er echter geen grond voor het oordeel dat het college bij de afweging van de bij de vaststelling van het natuurgebiedsplan betrokken belangen in redelijkheid niet meer gewicht heeft kunnen toekennen aan het algemeen belang van natuur- en landschapsbehoud dan aan de belangen van appellant.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. Ch.W. Mouton en mr. J.H. van Kreveld, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Van Meurs-Heuvel

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2004

47-465.