Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR3359

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-10-2004
Datum publicatie
06-10-2004
Zaaknummer
200402775/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 februari 2004, nummer VMH-04-0298A, heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat aan de Projectbureaumanager Noordelijk Holland HSL-Zuid vergunning verleend als bedoeld in artikel 2 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken voor het verbreden van de rijksweg A4 met bijkomende werken, zoals onder meer de aanleg van kunstwerken en het plaatsen van geluidschermen op deze rijksweg tussen kilometer 28,800 en kilometer 29,800 in de gemeenten Jacobswoude en Leiderdorp.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200402775/1.

Datum uitspraak: 6 oktober 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

de Minister van Verkeer en Waterstaat,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 12 februari 2004, nummer VMH-04-0298A, heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat aan de Projectbureaumanager Noordelijk Holland HSL-Zuid vergunning verleend als bedoeld in artikel 2 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken voor het verbreden van de rijksweg A4 met bijkomende werken, zoals onder meer de aanleg van kunstwerken en het plaatsen van geluidschermen op deze rijksweg tussen kilometer 28,800 en kilometer 29,800 in de gemeenten Jacobswoude en Leiderdorp.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 1 april 2004, bij de Raad van State ingekomen op 2 april 2004, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 17 mei 2004.

Bij brief van 14 juni 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 augustus 2004, waar verweerder, vertegenwoordigd door mr. E.H. Boers-Gerlings, ambtenaar van het ministerie van Verkeer en Waterstaat, is verschenen. Voorts is de vergunninghouder, vertegenwoordigd door mr. A.A. Spoel, advocaat te Den Haag, bijgestaan door ir. M.R. Dijkema en mr. drs. W. Warmerdam, gemachtigden, daar gehoord. Appellanten zijn met bericht van verhindering niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bestreden besluit is voorbereid overeenkomstig het bepaalde in artikel 20 van de Tracéwet. Ingevolge het tweede lid van dit artikel bevordert de Minister van Verkeer en Waterstaat een gecoördineerde voorbereiding van de besluiten op aanvragen om vergunningen en van de overige ambtshalve te nemen besluiten met het oog op de uitvoering van een tracébesluit.

   Verweerder heeft het besluit genomen ter uitvoering van het tracébesluit A4 Burgerveen-Leiden en het tracébesluit A4 Burgerveen-Leiden 2000.

2.2.    Appellanten stellen in beroep dat de vergunning ten onrechte is verleend. Ter motivering van hun beroep verwijzen zij naar de inhoud van hun bezwaarschriften tegen een tweetal besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Leiderdorp, waarbij vergunning is verleend voor de bouw van een viaduct over de rijksweg A4 en de HSL en ten aanzien van drie percelen in de Bospolder ingevolge artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling is verleend ten behoeve van de reconstructie van de N446. Appellanten voeren aan dat het tracé van de N446 niet in overeenstemming is met het tracé zoals dat destijds is neergelegd in genoemde tracébesluiten, aangezien de N446 thans ongeveer vier tot zes meter boven maaiveld komt te liggen op ongeveer 100 meter afstand van hun woning. Zij stellen dat zij hierdoor ernstige geluidoverlast zullen ondervinden en dat de in de Wet geluidhinder neergelegde grenswaarden fors zullen worden overschreden.

2.3.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat de vergunning op goede gronden is verleend. Gelet op het beperkte toetsingskader van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, kunnen volgens verweerder de door appellanten genoemde aspecten, niet bij de vergunningaanvraag worden betrokken en derhalve geen grond vormen de vergunning te weigeren.

2.4.    Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (hierna: Wbr) is het verboden zonder vergunning van de Minister van Verkeer en Waterstaat gebruik te maken van een Waterstaatswerk door anders dan waartoe het is bestemd:

a. daarin, daarop, daaronder of daarover werken te maken of te behouden;

b. daarin, daaronder of daarop vaste stoffen of voorwerpen te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen.

   Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wbr kan weigering, wijziging of intrekking van een vergunning, alsmede toepassing van de artikelen 2, tweede lid, en 6 slechts geschieden ter bescherming van waterstaatswerken en ter verzekering van het doelmatig en veilig gebruik van die werken, met inbegrip van het belang van verruiming of wijziging anderszins van die werken.

    Ingevolge het tweede lid van dit artikel kunnen de in het eerste lid bedoelde besluiten mede strekken ter bescherming van aan de waterstaatswerken verbonden belangen van andere dan waterstaatkundige aard, doch enkel voor zover daarin niet is voorzien door bij of krachtens een andere wet gestelde bepalingen.

2.5.    Niet gesteld of gebleken is dat er uit waterstaatkundig oogpunt bezwaren bestaan tegen verlening van de vergunning. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat er uit hoofde van artikel 3, eerste lid, van de Wbr geen grond is de vergunning te weigeren.

   De Afdeling ziet evenmin aanleiding voor het oordeel dat verweerder de vergunning uit hoofde van artikel 3, tweede lid, van de Wbr niet had kunnen verlenen. Zij neemt daarbij in aanmerking dat de door appellanten genoemde planologische aspecten, met inachtneming van de relevante bepalingen uit de Wet geluidhinder, dienen te worden afgewogen in het kader van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en de Tracéwet en niet bij de aan de orde zijnde vergunningverlening.

   Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen grond kan vormen de vergunning te weigeren.                         Het beroep is ongegrond.

   Overigens heeft verweerder ter zitting verklaard dat de reconstructie van de N446 en de bouw van het viaduct grotendeels passen binnen de flexibiliteitsbepalingen van genoemde tracébesluiten en dat - voorzover dat niet het geval is - ingevolge artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling is verleend. Hiertegen kunnen rechtsmiddelen worden aangewend, van welke mogelijkheid appellanten  gebruik hebben gemaakt.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra    w.g. van Dorst

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2004

357.