Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR3355

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-10-2004
Datum publicatie
06-10-2004
Zaaknummer
200400650/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 januari 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Abcoude (hierna: het college) appellante onder oplegging van een dwangsom gelast om uiterlijk 14 maart 2002 de verkoop van voedings- en genotsmiddelen, handsfree onderdelen voor mobiele telefonie, luchtverfrissers, zaklantaarns, thermometers, kladblokhouders, olie, workingmessen en dergelijke te staken in de autowasserette aan de [locatie] te [plaats] (hierna: de autowasserette).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200400650/1.

Datum uitspraak: 6 oktober 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 2 december 2003 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Abcoude.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Abcoude (hierna: het college) appellante onder oplegging van een dwangsom gelast om uiterlijk 14 maart 2002 de verkoop van voedings- en genotsmiddelen, handsfree onderdelen voor mobiele telefonie, luchtverfrissers, zaklantaarns, thermometers, kladblokhouders, olie, workingmessen en dergelijke te staken in de autowasserette aan de [locatie] te [plaats] (hierna: de autowasserette).

Bij besluit van 15 oktober 2002 (hierna: het bestreden besluit) heeft het college in afwijking van het advies van de commissie bezwaar- en beroepschriften van de gemeenten Abcoude en Breukelen van 31 mei 2002 (hierna: de commissie bezwaar- en beroep) het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 31 januari 2002 gehandhaafd, met dien verstande dat de begunstigingstermijn van zes weken gaat lopen op de verzenddatum van dit besluit.

Bij uitspraak van 2 december 2003, verzonden op 10 december 2003, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 21 januari 2004, bij de Raad van State ingekomen op die dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 9 maart 2004 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 augustus 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. E.M. van Bommel, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.S. Beems, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellante heeft allereerst betoogd dat de rechtbank heeft miskend dat sprake is van onzorgvuldige besluitvorming, omdat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zij tot haar besluit is gekomen. Daarbij neemt appellante het standpunt in dat aan het advies van 31 mei 2002 van de commissie bezwaar- en beroep – waarvan het college is afgeweken – wel een voldoende motivering ten grondslag is gelegd. Bovendien is de rechtbank, aldus appellant, ten onrechte voorbij gegaan aan hetgeen zij heeft betoogd omtrent het ambtelijk advies van 8 oktober 2002.

2.1.1.    Dit betoog faalt. Het advies van de commissie bezwaar- en beroepschriften om niet tot een aanschrijving als de voorliggende te over te gaan, is met name hierdoor ingegeven dat bij de totstandkoming van de bouwvergunning van de zijde van de gemeente geen informatie is ingewonnen dan wel overleg is geweest omtrent de bedoeling van de shop die op de bouwtekening is ingetekend. In het bestreden besluit is, bij de bespreking van de bezwaren, tot uitdrukking gebracht dat het college de commissie bezwaar- en beroep in haar advies niet volgt, omdat in de visie van het college voorop staat dat detailhandel in de vorm die appellante voor ogen staat ingevolge het bestemmingsplan niet is toegestaan, dat er gelet op het type bedrijf bij de gemeente van uit is gegaan dat de shop betrekking had op de verkoop van schoonmaakmiddelen die horen bij een autowasserette en die ter plaatse zouden worden gebruikt en dat er geen aanwijzingen waren dat er ander gebruik zou gaan plaatsvinden. Niet kan dan ook staande worden gehouden dat het bestreden besluit een deugdelijke motivering ontbeert. Het ambtelijk advies van 8 oktober 2002 kan hieraan niet afdoen.

2.2.    Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “Bedrijventerrein  Fluitekruid – Noord”. Volgens de plankaart heeft het perceel de bestemming “Bedrijfsdoeleinden II”.

    Ingevolge artikel 4, eerste lid, onder a, van de bij dit bestemmingsplan behorende voorschriften (hierna: de planvoorschriften) zijn de als zodanig aangewezen gronden onder andere bestemd voor bedrijfsdoeleinden, te weten bedrijven met bijbehorende bedrijfswoningen. Binnen de op de kaart met ‘zone II’ aangeduide differentiatievlakken worden uitsluitend bedrijfsactiviteiten toegelaten die zijn opgenomen in de Lijst van toegelaten bedrijfstypen in zone I en II. Detailhandelsactiviteiten zijn uitsluitend als ondergeschikte functie van de bedrijfsfunctie toegestaan tot een maximale oppervlakte van 15% van de totale bedrijfsvloeroppervlakte per perceel. Detailhandel is alleen toegestaan voor wat betreft ter plaatse vervaardigde goederen, niet zijnde voedings- en genotsmiddelen, kleding, schoeisel en lederwaren en huishoudelijke artikelen.

    Ingevolge artikel 1, aanhef en onder v, van de planvoorschriften wordt onder detailhandel verstaan het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen het uitstallen ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan diegenen die de goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit (…).

    Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de planvoorschriften is het verboden de in het plan begrepen gronden en de daarop voorkomende bouwwerken te gebruiken voor een doel of op een wijze strijdig met de voor de desbetreffende gronden aangewezen bestemming.

2.3.    Appellante heeft aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet bevoegd was om haar aan te schrijven, zoals het heeft gedaan.

2.3.1.    Dat betoog faalt eveneens. Vast staat dat in de autowasserette ter plaatse geen goederen worden vervaardigd, zodat de planvoorschriften zich verzetten tegen detailhandel ter plaatse. Evenwel bij besluit van 23 januari 2001 is aan appellante bouwvergunning verleend voor het oprichten van een bedrijfsgebouw, bestaande uit een wasstraat en een magazijn. Op de bij dit besluit behorende bouwtekening staat in het gedeelte dat ziet op de wasstraat een shop ingetekend, die deel uitmaakt van de ontvangstruimte met balie. Tegen het besluit van 23 januari 2001 zijn geen rechtsmiddelen aangewend, zodat van de formele rechtskracht van dit besluit moet worden uitgegaan. Het oordeel van de rechtbank dat het gebruik als shop uit de verlening van de bouwvergunning voortvloeit is niet bestreden. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat nu de vergunning is verleend aan een bedrijf dat naar zijn aard ter plaatste geen goederen vervaardigt, het college voor de beantwoording van de vraag welk gebruik van die shop overeenkomstig de verleende bouwvergunning mogelijk is, terecht aansluiting heeft gezocht bij de aard van de bedrijfsactiviteit waarvoor vergunning is gevraagd en verleend, namelijk – voor zover hier van belang – de wasstraat/autowasserette. Gelet daarop is de detailhandel ter plaatste daarom terecht beperkt tot artikelen die gerelateerd zijn aan het schoonmaken van auto’s en was het college bevoegd appellante onder last van een dwangsom aan te schrijven het daarvan afwijkende gebruik te beëindigen.

2.4.    Het betoog van appellante dat de rechtbank heeft miskend dat de beperking die in artikel 4 van de planvoorschriften is opgenomen ten aanzien van detailhandelsactiviteiten op gronden met de bedrijfsdoeleindenbestemming planologische relevantie ontbeert en daarom een krachtens artikel 10, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening niet toegestane beperking van de bestemming behelst, wordt verworpen. Voorop staat dat het om een bedrijfsdoeleindenbestemming gaat. Genoemde passage is in artikel 4 opgenomen om detailhandel op het bedrijventerrein zoveel mogelijk te beperken. De verkeersaantrekkende werking daarvan op het bedrijventerrein wordt niet wenselijk geacht, mede omdat het terrein daarvoor niet is ingericht. Niet kan daarom staande worden gehouden dat er geen planologische relevantie is voor dit planvoorschrift en dat dit zich niet verdraagt met artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

2.5.    Ook het betoog van appellante dat de opgelegde last onvoldoende duidelijk is, heeft de rechtbank terecht verworpen, nu de last onder dwangsom strekt tot het beëindigen van het gebruik van de shop voor de verkoop van artikelen die niet aan het schoonmaken van auto’s zijn gerelateerd en bovendien door een opsomming is duidelijk gemaakt om welke artikelen het gaat.

2.6.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren, dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.7.    Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat geen grond bestaat om van handhavend optreden af te zien. Het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel kan niet slagen, reeds omdat appellante hetgeen zij in dit verband naar voren heeft gebracht omtrent besprekingen en toezeggingen, tegenover de betwisting daarvan door het college, op geen enkele wijze aannemelijk heeft weten te maken. Dat een shop is ingetekend op de bouwtekening, acht de Afdeling, gelet op de omstandigheden van dit geval, onvoldoende om te oordelen dat daaraan het vertrouwen kon worden ontleend dat in de shop artikelen mochten worden verkocht die op enigerlei wijze relatie hebben met auto’s.

2.8.    De conclusie is dat de rechtbank het beroep terecht ongegrond heeft verklaard.

2.9.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en, mr. P.J.J. van Buuren en mr. F.P. Zwart, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Lodder

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2004

224.