Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR3346

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-10-2004
Datum publicatie
06-10-2004
Zaaknummer
200401345/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 juni 2003 heeft de gemeenteraad van Goirle, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 29 april 2003, het bestemmingsplan “De Hoge Wal" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200401345/1.

Datum uitspraak: 6 oktober 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 3 juni 2003 heeft de gemeenteraad van Goirle, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 29 april 2003, het bestemmingsplan “De Hoge Wal" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 16 december 2003, no. 922964, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 13 februari 2004, bij de Raad van State ingekomen per fax op 15 februari 2004, beroep ingesteld.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 september 2004, waar appellant in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door P.H.G.M. Jansen, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar de gemeenteraad van Goirle, vertegenwoordigd door A.J.M. van Son, ambtenaar van de gemeente, als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2.    Het plan voorziet in een conserverende planologische regeling voor een recent ontwikkeld woongebied in de gemeente Goirle en is gericht op de  bescherming van de kwaliteiten van het plangebied.

2.3.    Appellant stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan nu er geen dan wel onvoldoende inspraak is geweest. Voorts is in de toelichting een overbodige beschrijving opgenomen van de buiten het plangebied gelegen Katsbogte. Daarnaast stelt appellant zich op het standpunt dat de plangrens niet overeenkomt met de gemeentegrens. Ook uit appellant bezwaren tegen de wijze waarop de woonwijk tot stand is gekomen. Voorts stelt appellant dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming “Waterhuishoudkundige doeleinden”. Hiertoe voert appellant aan dat de op 100 meter afstand van zijn perceel gelegen Oostplas water zal onttrekken aan zijn gronden die hierdoor zullen verdrogen. Ook is geen beheersovereenkomst op de Oostplas van toepassing. Appellant heeft eveneens bezwaar tegen de goedkeuring van artikel 12, tweede lid, van de planvoorschriften, voorzover daarin is voorzien in een wijzigingsbevoegdheid voor de bouw van een 30 meter hoog appartementsgebouw op de gronden met de aanduiding “gebied wijzigingsbevoegdheid I”. Appellant stelt dat verweerder geen rekening heeft gehouden met zijn recht om op grond van het overgangsrecht van het bestemmingsplan “Bakertand” gebruik te blijven maken van zijn woning en met het te verwachten verlies aan privacy. Voorts stelt appellant dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de bestemming “Woondoeleinden –(w)-“ en de daarbij behorende voorschriften. In de voorschriften noch op de plankaart is een maatvoering of codering opgenomen hetgeen de toepassing van de  vrijstellingsbevoegdheid bemoeilijkt. Ten slotte stelt appellant zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming “Gebied voor landschaps- en natuurontwikkeling”.

2.4.    De gemeenteraad van Goirle stelt zich op het standpunt dat met het plan de stedenbouwkundige en architectonische kwaliteit van de bestaande bebouwing wordt beschermd en een samenhang wordt verwezenlijkt tussen het beekdallandschap en de bebouwing.

2.5.    Verweerder heeft geen reden gezien het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening of in strijd met het recht te achten en heeft het plan derhalve goedgekeurd. Verweerder stelt zich ten aanzien van de in het plan opgenomen wijzigingsbevoegdheid I op het standpunt dat de exacte afstand tot het terras van appellante vooralsnog niet bepaald kan worden. In dit verband merkt verweerder tevens op dat het bestemmingsplan “Bakertand” waarbinnen de gronden van appellant zijn gelegen niet voorziet in handhaving van de woning van appellant. Ten aanzien van de bestemming “Woondoeleinden –(w)-“  en de daarbij behorende voorschriften stelt verweerder dat deze regeling niet in strijd is met de rechtszekerheid, gelet op de feitelijke situatie en de conserverende opzet van het plan.

2.6.    Ingevolge artikel 6a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening worden de ingezetenen van de gemeente en in de gemeente een belang hebbende natuurlijke en rechtspersonen bij de voorbereiding van ruimtelijke plannen of herziening daarvan betrokken op de wijze zoals voorzien in de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde verordening.

De gemeenteraad van Goirle heeft een dergelijke verordening vastgesteld waarin een regeling is getroffen voor het doen van beklag over de uitvoering van de verordening.

Niet is gebleken dat appellant van deze regeling ten aanzien van de inspraak over het voorliggende plan gebruik heeft gemaakt.

Gelet hierop bestaat er geen aanleiding op de bezwaren van appellant ter zake van de inspraak verder in te gaan.

2.7.    Het is de Afdeling niet gebleken dat de gemeentegrens onjuist is weergegeven op de plankaart. Voor het overige overweegt de Afdeling dat gelet op de systematiek van de Wet op de Ruimtelijke Ordening de gemeenteraad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toekomt bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan.

Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de gemeenteraad een begrenzing kan vaststellen die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geoordeeld of anderszins in strijd is met het recht.

De Afdeling is, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, van oordeel dat verweerder zich in dit geval in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat hij deze ook overigens terecht heeft goedgekeurd.

   Het feit dat de woningen binnen het plangebied zijn gebouwd met gebruikmaking van een procedure op grond van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) betreft niet het plan als zodanig, maar een daaraan voorafgegane procedure. Dit bezwaar kan derhalve in deze procedure niet aan de orde komen.

   Dat in de plantoelichting een beschrijving is opgenomen van de buiten het plangebied gelegen Katsbogte betreft een bezwaar tegen de plantoelichting, die geen onderdeel is van het plan. Dit bezwaar is derhalve ongegrond.

2.8.    Het perceel van appellant is gelegen aan de [locatie] te [plaats] en ligt derhalve buiten het plangebied.

   Wat betreft de door appellant gevreesde verdroging van zijn perceel overweegt de Afdeling dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn gronden zullen verdrogen door de Oostplas of door de wijze van afwatering van de woonwijk. Zijn gronden zijn volgens de door hem overgelegde conclusie van een rapport van de DLV Adviesgroep altijd al droogtegevoelig geweest. Dat geen overeenkomst is gesloten ter zake van het beheer van de Oostplas doet aan het bovenstaande niet af.

2.9.    Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef, van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, kunnen burgemeester en wethouders de bestemming binnen het “gebied wijzigingsbevoegdheid I” wijzigen in “Woondoeleinden –(w)-”, indien en voorzover de in het gebied gelegen stankcirkel van een agrarisch bedrijf wegvalt. Bij de toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid moeten, voorzover hier van belang, de volgende regels in acht te worden genomen.

    Ingevolge artikel 12, tweede lid, onder b, van de planvoorschriften mogen binnen het wijzigingsgebied ten hoogste 55 woningen worden gebouwd. Ingevolge artikel 12, tweede lid, onder c, van de planvoorschriften, mag binnen het wijzigingsgebied ten hoogste één appartementsgebouw worden gebouwd, waarvan de hoogte ten hoogste 30 meter mag bedragen.

       Voorzover appellant stelt dat hij in zijn privacy wordt beperkt tengevolge van de mogelijke bouw van het appartementsgebouw overweegt de Afdeling dat de vraag of, dan wel in welke mate, sprake is van een privacybeperking op dit moment niet goed kan worden beoordeeld. Dit nog afgezien van het feit dat er plaatse ook eengezinswoningen zouden kunnen worden gebouwd. De daadwerkelijke afstand tussen de woning dan wel het perceel van appellant en het beoogde appartementsgebouw zal pas bekend worden bij het vaststellen van het wijzigingsplan. Gezien de door appellant gestelde afstand van ongeveer 150 meter tussen zijn terras en het appartementsgebouw bestaat er thans geen aanleiding te vrezen voor een ernstige inbreuk op de privacy van appellant. In dit verband overweegt de Afdeling voorts dat het gemeentebestuur, indien kan worden voldaan aan de wijzigingsvoorwaarden, in de besluitvorming omtrent de vaststelling van een wijzigingsplan dient na te gaan of uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gelet op de betrokken belangen, wijziging van de oorspronkelijke bestemming mogelijk is. Het recht van appellant om het bestaand gebruik van zijn woning nog enige tijd voort te zetten zal, indien op dat moment nog aan de orde, bij die beoordeling moeten worden betrokken. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder bij dit plan in redelijkheid kunnen afzien van een uitputtende belangenafweging en heeft hij het standpunt kunnen innemen dat die bij de toetsing van het wijzigingsplan aan de orde komt.

2.10.    Binnen de plandelen met de bestemming “Woondoeleinden -(w)- “   zijn geen coderingen toegekend aan de bouwvlakken. Voorts is in artikel 4, tweede lid, onder c, van de planvoorschriften, bepaald dat de omvang, vorm en hoogte van deze bebouwing binnen het bebouwingsvlak niet mag worden gewijzigd. Hierbij wordt ingevolge artikel 1, onder h, van de planvoorschriften, als “bestaand” aangemerkt, de bestaande bouwwerken en/of bouwwerken waarvoor bouwvergunning is verleend ten tijde van de terinzagelegging van het bestemmingsplan als ontwerp.

Gezien de verscheidenheid in bouw- en goothoogtes en dakvormen van de bestaande bebouwing heeft de gemeenteraad er niet voor gekozen deze op de plankaart en/of in de voorschriften gedetailleerd weer te geven. Het doel van het plan is volgens de gemeenteraad dat de bestaande woningen worden beschermd tegen ongewenste ontwikkelingen.

Gelet op het verhandelde ter zitting, is de Afdeling van oordeel dat met behulp van de verleende bouwvergunningen de vereiste rechtszekerheid omtrent de bestaande bouwhoogte, goothoogte en kapvorm kan worden verkregen.

Ten aanzien van de algemene vrijstellingsbevoegdheid van artikel 13, aanhef en eerste lid, onder a, van de planvoorschriften, overweegt de Afdeling dat hieraan slechts betekenis toekomt voorzover in de voorschriften maatvoeringen zijn opgenomen.

   Gelet op het vorenstaande onderschrijft de Afdeling de stelling van verweerder dat deze regeling, gelet op de feitelijke situatie en de planvoorschriften, niet in strijd is met de rechtszekerheid.

2.11.    Gelet op de stukken wordt met de bestemming “Gebied voor landschaps- en natuurontwikkeling” beoogd de in het betrokken gebied bestaande landschaps- en natuurwaarden bescherming te bieden, maar is het plan tevens gericht op de verdere ontwikkeling en versterking van deze waarden. De Afdeling overweegt dat de bestemming hiermee voldoende gedetailleerd is. Dat het gebied met behulp van het “Landschaps-en inrichtingsplan Hoge Wal Goirle” uit 1998 inmiddels al is ingericht doet hieraan niet af.

2.12.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.13.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton    w.g. Troost

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2004

234-461.