Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR3330

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-10-2004
Datum publicatie
06-10-2004
Zaaknummer
200402448/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 augustus 1999 heeft de raad van de gemeente Breda (hierna: de raad) een verzoek van appellant om vergoeding van schade op de voet van artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2005/5 met annotatie van G.M. van den Broek
BR 2005/60
Module Ruimtelijke ordening 2004/4217
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200402448/1.

Datum uitspraak: 6 oktober 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 28 januari 2004 in het geding tussen:

appellant

en

de raad van de gemeente Breda.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 26 augustus 1999 heeft de raad van de gemeente Breda (hierna: de raad) een verzoek van appellant om vergoeding van schade op de voet van artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) afgewezen.

Bij besluit van 27 september 2001 heeft de raad het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 juli 2002 heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd.

Bij besluit van 24 april 2003 heeft de raad het daartegen door appellant gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie voor bezwaar- en beroepschriften van 24 januari 2003, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 28 januari 2004, verzonden op 16 februari 2004, heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 22 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op 23 maart 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 19 april 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 7 juni 2004 heeft de raad van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 september 2004, waar appellant in persoon, bijgestaan door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door mr. P.Ruis, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 49 van de WRO, voor zover hier van belang, kent de gemeenteraad, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan of het besluit omtrent vrijstelling als bedoeld in artikel 19, schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2.    Voor de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 49 van de WRO dient te worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologisch regime waardoor een belanghebbende in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dienen de beweerdelijk schadeveroorzakende planologische maatregelen te worden vergeleken met het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van dat regime maximaal kon worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

2.3.    Appellant, sinds 1954 eigenaar van het perceel [locatie 1] te [plaats], heeft verzocht om vergoeding van schade in de vorm van ernstige verstoring van zijn woongenot als gevolg de oprichting van een bedrijfsloods op het naastgelegen perceel [locatie 2], op grond van het bestemmingsplan “Buitengebied 1996”.

2.4.    Ingevolge het als bestemmingsplan geldende Uitbreidingsplan in Hoofdzaak uit 1948, dat door de raad van de voormalige gemeente Nieuw-Ginniken is vastgesteld op 30 juni 1948 en op 13 juli 1949 is goedgekeurd door gedeputeerde staten, was bebouwing van het aangrenzende perceel ingevolge de daaraan gegeven bestemming “Agrarische bebouwing I” toegestaan met woningen en andere gebouwen, waaronder agrarische bedrijven ter grootte van tenminste 10 ha, waarbij de afstand van de zijdelingse perceelsgrens tot de schuur niet minder dan 4 meter en de afstand van de zijdelingse perceelsgrens tot het woonhuis niet minder dan 8 meter mocht bedragen. Ten aanzien van de oppervlakte en de hoogte van de gebouwen waren in de voorschriften geen beperkingen opgenomen.

2.4.1.    In het daarop volgende bestemmingsplan “Buitengebied”, dat door de raad van Nieuw-Ginniken is vastgesteld op 24 juni 1980, gedeeltelijk op 8 september 1981 is goedgekeurd door gedeputeerde staten, en onherroepelijk is geworden op 20 januari 1987, was aan een strook van 20 meter grenzend aan het perceel van appellant de bestemming “Kernrandzone” toegekend.

Op deze gronden was ingevolge artikel 4, lid A, van de planvoorschriften, behoudens vrijstelling, geen bebouwing toegestaan. Vrijstelling was slechts mogelijk voor het oprichten van bouwwerken, niet zijnde woningen, ten behoeve van een doelmatige agrarische bedrijfsvoering, zoals veldschuren, schuilgelegenheden en melkstallen, met dien verstande dat de oppervlakte van het bouwperceel minimaal 1 ha, de oppervlakte van de bouwwerken maximaal 150 m2 en de goot- en nokhoogte maximaal 4 en 6 meter mochten bedragen.

In artikel 2.1.1 van de voorschriften was een wijzigingsbevoegdheid ex artikel 11 van de WRO opgenomen, die ertoe strekte dat de bestemming “Kernrandzone” kon worden gewijzigd ten behoeve van de vergroting van een “Agrarisch bouwblok A”, ten behoeve van uitbreiding van een agrarisch bedrijf.

Op een afstand van 20 meter uit de Strijbeekseweg en 20 meter uit de perceelsgrens van appellant hadden de gronden de bestemming “Agrarisch bouwblok A”. Op deze gronden mocht ingevolge artikel 2, lid A tot op 5 meter van de zijdelingse perceelsgrens bebouwing ten behoeve van een agrarisch bedrijf worden opgericht met een goothoogte van maximaal 4,5 meter en een nokhoogte van maximaal 7 meter. Deze maten konden door middel van een binnenplanse vrijstelling worden verruimd tot respectievelijk 6,5 en 10 meter.

2.4.2.    Ingevolge het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied 1996”, dat door de raad van Nieuw Ginniken is vastgesteld op 23 december 1996, gedeeltelijk op 3 juli 1997 is goedgekeurd door gedeputeerde staten, en onherroepelijk is geworden op 12 juli 1999, rust op het aan de gronden van appellant grenzende perceel thans de bestemming “Agrarisch bouwblok”. Ingevolge artikel 15 van de planvoorschriften is op die gronden de oprichting van agrarische gebouwen toegelaten tot op de perceelsgrens, met een maximale goothoogte van 5.50 meter en een nokhoogte van maximaal 10 meter.

2.5.    De raad heeft zich, op basis van adviezen van de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ), op het standpunt gesteld dat weliswaar sprake is van een planologisch nadeliger positie, doch dat de daaruit voortvloeiende schade voor rekening van appellant dient te worden gelaten, aangezien de planologische ontwikkelingen bij aankoop van de woning voor hem voorzienbaar zijn geweest.

2.6.    Ook de rechtbank is tot deze conclusie gekomen. Zij heeft daartoe - kort weergegeven - overwogen dat op het moment dat betrokkene zijn huis kocht, op grond van het Uitbreidingsplan in Hoofdzaak uit 1948 aan het aangrenzende perceel ruime bebouwingsmogelijkheden waren toegekend, die als een schaduw boven het gebied zijn blijven hangen toen het bestemmingsplan “Buitengebied 1980” werd vastgesteld. Aldus had appellant op het moment van aankoop rekening moeten houden met de mogelijkheid dat op zeer korte afstand van de perceelsgrens zeer volumineuze bebouwing kon worden opgericht, zonder beperking van de hoogte daarvan. De rechtbank heeft derhalve geoordeeld dat de door appellant gestelde schade redelijkerwijs voor zijn rekening moet blijven.

2.7.    Appellant betwist dat in dit geval kan worden gesproken van voorzienbaarheid. Hij heeft daartoe aangevoerd dat zijn verzoek betrekking heeft op de verslechtering in zijn positie door het bestemmingsplan 1996 ten opzichte van het plan uit 1980. Daarbij is uitsluitend een planvergelijking tussen die beide regimes aan de orde en speelt het bestemmingsplan uit 1948 (ook) in het kader van eventuele voorzienbaarheid geen rol, aldus appellant.

2.8.    Dit betoog slaagt. Door uit te gaan van voorzienbaarheid van de omstreden planologische ontwikkelingen op basis van de mogelijkheden van het plan uit 1948, wordt gehandeld in strijd met de rechtszekerheid. Daarbij wordt immers miskend dat sedert de inwerkingtreding van het bestemmingsplan uit 1980 de planologische situatie ter plaatse wordt bepaald door dit plan en niet (langer) door het plan uit 1948.

Bij het verzoek om vergoeding van schade ten gevolge van de daarop gevolgde planologische wijziging, dient bij de planvergelijking mitsdien van het door het plan van 1980 geschapen planologische regime te worden uitgegaan.

2.9.    De rechtbank en de raad hebben dit miskend.

2.10.    Het hoger beroep is gegrond en de aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog gegrond verklaren. Zij ziet, gelet op de lange duur van de procedure tot dusver, tevens aanleiding om een termijn te stellen voor het door de raad nemen van een nieuw besluit.

2.11.    De raad dient voorts op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Breda van 28 januari 2004;

III.    verklaart bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Breda van 24 april 2003;

V.    draagt de raad van de gemeente Breda op binnen 3 maanden na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen;

VI.    veroordeelt de raad van de gemeente Breda in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 37,41; het bedrag dient door de gemeente Breda te worden betaald aan appellant;

VII.    gelast dat de gemeente Breda aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 338,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-Van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. B.J. van Ettekoven, en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van  mr. N.T. Zijlstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-Van Bilderbeek    w.g. Zijlstra

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2004

240.