Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AQ5724

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-07-2004
Datum publicatie
28-07-2004
Zaaknummer
200400808/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 februari 2003 heeft college van burgemeester en wethouders van Eibergen (hierna: het college) geweigerd om handhavend op te treden tegen de horeca-activiteiten van de Stichting de Mallumsche Molen, thans Stichting Eibergse Molens (hierna: de Stichting) in het Muldershuis aan de Mallumsche Molenweg ten noorden van Eibergen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 2:4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2004/1185
JB 2004/319 met annotatie van L.J.M. Timmermans
JIN 2004/46
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200400808/1.

Datum uitspraak: 28 juli 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Eibergen,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen van 19 december 2003 in het geding tussen:

appellant

en

college van burgemeester en wethouders van Eibergen.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 4 februari 2003 heeft college van burgemeester en wethouders van Eibergen (hierna: het college) geweigerd om handhavend op te treden tegen de horeca-activiteiten van de Stichting de Mallumsche Molen, thans Stichting Eibergse Molens (hierna: de Stichting) in het Muldershuis aan de Mallumsche Molenweg ten noorden van Eibergen.

Bij besluit van 10 oktober 2003 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 december 2003, verzonden op 22 december 2003, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 27 januari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 28 januari 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 1 maart 2004 heeft de Stichting van antwoord gediend.

Bij brief van 4 maart 2004 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 juli 2004, waar het college, vertegenwoordigd door K.I.M. Boone, is verschenen. Appellant is, met bericht, niet ter zitting verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Vast staat dat het college ten tijde van de beslissing op bezwaar bevoegd was om handhavend op te treden tegen de met het bestemmingsplan “Buitengebied” strijdige horeca-activiteiten die plaatsvinden in het Muldershuis.

2.2.    Gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, zal in het geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3.    Appellant komt tevergeefs op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ten tijde van de beslissing op bezwaar concreet zicht op legalisering bestond. De voorzieningenrechter heeft terecht van belang geacht dat toen inmiddels op 24 juni 2003 door Gedeputeerde Staten van Gelderland een verklaring was afgegeven dat zij tegen het verlenen van vrijstelling van het bestemmingsplan op grond van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening ten behoeve van een interne verbouwing van het Muldershuis en legalisering van de horecafunctie geen bezwaar hadden en dat inmiddels ook bij besluit van 2 december 2003 door het college bedoelde vrijstelling was verleend.

   Voorts heeft de voorzieningenrechter terecht geen zwaarwegende belangen aanwezig geacht op grond waarvan het college desondanks handhavend had behoren op te treden.

2.4.    Evenzeer faalt het betoog van appellant, dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat sprake is van een belangenverstrengeling aangezien de burgemeester van Eibergen voorzitter is van het bestuur van de Stichting.

   De voorzieningenrechter heeft terecht geen grond aanwezig geacht voor het oordeel dat het besluit in strijd met het bepaalde in artikel 2:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is genomen. Daarbij heeft de voorzieningenrechter terecht van belang geacht dat het college uit vier leden bestaat, de ruimtelijke ordening tot de portefeuille van een wethouder behoort, alle leden van het college zich akkoord hebben verklaard met het ambtelijk voorstel tot het besluit, het besluit voorts is ondertekend door de loco-burgemeester en dat aan het besluit een advies van de Adviescommissie Recht en Burger ten grondslag ligt dat in het besluit geheel is overgenomen.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Wilbers-Taselaar

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2004

71.