Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AQ5720

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-07-2004
Datum publicatie
28-07-2004
Zaaknummer
200306609/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 mei 2002 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum van de gemeente Amsterdam (hierna: het dagelijks bestuur) het door appellante gemaakte bezwaar tegen de vaststelling van de peildatum voor het project Schievink op 1 november 2001 niet-ontvankelijk verklaard.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 8:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2005, 23 met annotatie van A.P. Klap
JB 2004/315
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200306609/1.

Datum uitspraak: 28 juli 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de vereniging "Vereniging Jordanese Buurtgroep Schievink", gevestigd te Amsterdam,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 augustus 2003 in het geding tussen:

appellante

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum van de gemeente Amsterdam.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 14 mei 2002 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum van de gemeente Amsterdam (hierna: het dagelijks bestuur) het door appellante gemaakte bezwaar tegen de vaststelling van de peildatum voor het project Schievink op 1 november 2001 niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 26 augustus 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 3 oktober 2003, bij de Raad van State ingekomen op 6 oktober 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 1 november 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 18 november 2003 heeft het dagelijks bestuur van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 juni 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door [voorzitter], en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. B. Smit, werkzaam bij het stadsdeel Amsterdam-Centrum, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 2.4.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Huisvestingsverordening 1999 van de gemeente Amsterdam (hierna: de Huisvestingsverordening), voor zover hier van belang, kan een voorrangsverklaring worden verleend aan stadsvernieuwingskandidaten, dat wil zeggen de huishoudens die op de vastgestelde peildatum feitelijk hoofdbewoner zijn van een woonruimte met een huurprijs als beschreven in artikel 2.1.1, onder a, en waarvoor voor ingebruikneming een huisvestingsvergunning is vereist en die in het bezit zijn van zodanige vergunning.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder f, van de Regeling Financiële tegemoetkoming aan bewoners in verhuis- en herinrichtingskosten 1997 van de gemeente Amsterdam (hierna: de Regeling), voor zover hier van belang, wordt in de Regeling onder peildatum verstaan de datum die ingevolge de Huisvestingsverordening wordt aangemerkt als aanvangsdatum van de herhuisvesting van de bewoner(s).

2.2.    Het dagelijks bestuur heeft het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de vaststelling van de peildatum geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). De rechtbank heeft dit besluit vernietigd op de grond dat uit de bij rechtsoverweging 2.1. vermelde bepalingen voortvloeit dat door de vaststelling van de peildatum rechtsgevolgen voor derden ontstaan.

Ter zitting heeft het dagelijks bestuur aangegeven dat hij van mening blijft dat de vaststelling van de peildatum slechts een voorbereidingshandeling is ten aangezien van de start van eventuele (her-)huisvesting en als zodanig niet is gericht op rechtsgevolg.

2.2.1.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de onderhavige vaststelling van de peildatum een besluit is in de zin van de Awb. De vaststelling is, indien al niet gericht op het rechtsgevolg dat op grond van de Huisvestingsverordening een voorrangsverklaring kan worden verleend aan stadsvernieuwingskandidaten, er blijkens de stukken in ieder geval op gericht dat op grond van artikel 3, in samenhang gelezen met artikel 2, van de Regeling aan de bewoners van woningen in het project Schievink een tegemoetkoming kan worden verstrekt in de verhuis- en/of herinrichtingskosten.

2.3.    De rechtbank heeft overwogen dat het vaststellingsbesluit weliswaar geen zelfstandige rechtsnorm bevat, maar acht de vaststelling van de peildatum zodanig verknoopt met de Huisvestingsverordening en de Regeling dat deze naar haar oordeel hiervan niet los kan worden gezien. Derhalve is, aldus de rechtbank, het besluit tot vaststelling van de peildatum onderdeel van een samenstel van algemeen verbindende voorschriften, waartegen ingevolge artikel 8:2, aanhef en onder a, in samenhang gelezen met artikel 7:1, eerste lid, van de Awb geen bezwaar en beroep open staat.

Dit oordeel is onjuist. Het besluit tot het vaststellen van de peildatum voor de betrokken woningen is een concretiserend besluit dat de toepasselijkheid van in de Huisvestingsverordening en de Regeling neergelegde normen naar tijd en plaats bepaalt. Het verknooptheidscriterium, zoals genoemd in de wetsgeschiedenis, ziet alleen op inwerkingtredings-, intrekkings- en goedkeuringsbesluiten. Tegen het vaststellingsbesluit stond derhalve bezwaar open voor een belanghebbende. De vraag dient te worden beantwoord of appellante bij dat besluit belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

2.4.    Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen tevens beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

2.4.1.    Het peildatumbesluit heeft betrekking op de woningen [locatie 1] en [locatie 2].

Blijkens artikel 2, eerste lid, van haar statuten is het doel van appellante “het behoud en herstel van negen panden in stadsvernieuwingscluster “Schievink” aan [locatie 1] en [locatie 2], te Amsterdam, een en ander in de meest ruime zin.” Gevraagd naar haar belang bij het peildatumbesluit heeft appellante aangegeven dat ten gevolge van dat besluit en de daarmee gepaard gaande mogelijkheid een verhuiskostenvergoeding te verkrijgen, een aantal bewoners is verhuisd en dat in verband daarmee haar ledental is afgenomen. Voorts valt, aldus appellante, te verwachten dat dit besluit zal worden gevolgd door nadere besluiten, die het realiseren van haar doelstelling verder weg brengen.

Hetgeen appellante heeft aangevoerd betreft mogelijke, feitelijke en indirecte gevolgen van het vaststellingsbesluit. Hierin, noch in haar doelstelling zoals die uit de statuten blijkt, is grond gelegen voor het oordeel dat haar belang rechtstreeks bij het peildatumbesluit is betrokken. Appellante is dan ook bij dat besluit geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, voornoemd. De rechtbank heeft mitsdien terecht, zij het op onjuiste gronden, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden, te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. Haan, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos    w.g. Haan

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2004

27-55.