Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AP4641

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-06-2004
Datum publicatie
30-06-2004
Zaaknummer
200306663/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij brief van 11 juli 2003 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen de van rechtswege verleende instemming met het saneringsplan van [vergunninghouder] voor de [locatie] te [plaats].

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 6:8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2005/9 met annotatie van A.B. Blomberg
M en R 2004, 102K
Milieurecht Totaal 2004/4221
JBO 2005/106
JM 2005/3 met annotatie van Van der Molen
JB 2004/291
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200306663/1.

Datum uitspraak: 30 juni 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij brief van 11 juli 2003 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen de van rechtswege verleende instemming met het saneringsplan van [vergunninghouder] voor de [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 27 augustus 2003, kenmerk 200300432/DJZ, verzonden op dezelfde datum, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 7 oktober 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Bij brief van 8 december 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 mei 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door R. Stuyver, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. T.M.A.E. van de Hulsbeek en J.M. Smalen, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “Albert Heijn B.V.”, vertegenwoordigd door mr. M.E.J. de Bruijn, advocaat te Amsterdam en dr. M. Clement, gemachtigde, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Appellante voert aan dat zij ten onrechte door verweerder niet-ontvankelijk is verklaard in haar bezwaar. In dat kader betoogt appellante dat een instemming-van-rechtswege moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en dat de bezwaartermijn aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. De bekendmaking heeft plaatsgevonden op 18 juni 2003, zodat het bezwaarschrift van 11 juli 2003 binnen de termijn is ingediend, aldus appellante.

2.1.1. In artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming is, voorzover hier van belang, bepaald dat een saneringsplan instemming behoeft van gedeputeerde staten. Aan het saneringsplan is van rechtswege instemming verleend indien gedeputeerde staten niet binnen de instemmingstermijn van dertien weken of voor de afloop van de termijn waarmee is verlengd een beslissing hebben genomen. Een instemming van rechtswege wordt aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.

In artikel 88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet bodembescherming is, voorzover hier van belang, bepaald dat de gemeente Amsterdam voor de toepassing van artikel 39 wordt gelijkgesteld met een provincie.

In artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht is, voorzover hier van belang, bepaald dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken bedraagt.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

In artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht is, voorzover hier van belang, bepaald dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift, niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2.1.2. De Afdeling stelt vast dat op 30 januari 2003 bij verweerder een melding in de zin van artikel 28 van de Wet bodembescherming is binnengekomen met daarbij gevoegd het saneringsplan van 28 januari 2003 voor de locatie Overtoom 448-450 en 452. Blijkens de stukken heeft verweerder de termijn van 13 weken voor zijn beslissing omtrent instemming met het saneringsplan niet in acht genomen. Tevens is er door verweerder geen besluit genomen tot verlenging van de beslistermijn. Gelet hierop volgt uit artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming dat op 2 mei 2003 van rechtswege met het desbetreffende saneringsplan is ingestemd. Op 18 juni 2003 heeft verweerder terzake in het Amsterdams Stadsblad een kennisgeving geplaatst.

De Afdeling overweegt dat een instemming-van-rechtswege in formele zin geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht, nu aan de eis van schriftelijkheid niet wordt voldaan. Een gevolg daarvan is dat op een dergelijk “besluit” de bekendmakingsregeling van afdeling 3.6 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is. Bekendmaking van een dergelijk “besluit” is dan ook niet nodig voor de inwerkingtreding daarvan. Een dergelijk “besluit” treedt derhalve in werking nadat het wordt geacht te zijn ontstaan. Nu een instemming-van-rechtswege ingevolge artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming wordt aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht, is ze vatbaar voor bezwaar en beroep. Artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht brengt met zich dat de termijn van zes weken voor het indienen van een bezwaarschrift aanvangt met ingang van de dag na die waarop de beslistermijn is geëindigd. De omstandigheid dat verweerder door middel van een kennisgeving – welke in een geval als het onderhavige overigens niet ingevolge de Wet bodembescherming is vereist – de instemming-van-rechtswege bekend heeft gemaakt, doet daar niet aan af.

2.1.3. Gelet op het vorenoverwogene ving de bezwaartermijn van zes weken aan op 3 mei 2003. Appellante heeft op 11 juli 2003, bij verweerder ingekomen op 18 juli 2003, en daarmee buiten de zes wekentermijn, bezwaar gemaakt tegen de instemming van rechtswege. De Afdeling overweegt dat onder omstandigheden de te late indiening van een bezwaarschrift verschoonbaar wordt geacht mits redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Het bezwaarschrift dient in dat geval te worden ingediend zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs van belanghebbenden kan worden verlangd. In beginsel dienen belanghebbenden binnen twee weken nadat zij van een besluit op de hoogte zijn geraakt hiertegen hun bezwaar kenbaar te maken. Daarvan kan slechts worden afgeweken wanneer bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.

Appellante heeft op 18 juni 2003 van de instemming van rechtswege kennis genomen door middel van de kennisgeving in het Amsterdams Stadsblad. Deze kennisgeving bevat een aantal onduidelijkheden en vermeldt verder abusievelijk dat tegen het besluit-van-rechtswege binnen zes-weken bezwaar (eenmaal abusievelijk aangeduid als goedkeuring) kon worden gemaakt te rekenen vanaf 2 mei 2003 in plaats van 3 mei 2003. Dit neemt echter niet weg dat uit de kennisgeving voldoende duidelijk blijkt dat de zes wekentermijn ten tijde van de publicatie van de kennisgeving reeds was verstreken. De Afdeling overweegt dat appellante, door pas op 11 juli 2003 bezwaar te maken, dit bezwaarschrift niet zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs van haar kan worden verlangd, heeft ingediend. Niet valt in te zien waarom door appellante niet eerder een (pro-forma) bezwaarschrift kon worden ingediend. Naar het oordeel van de Afdeling kan daaraan niet afdoen dat appellante, zoals zij ter zitting heeft verklaard, enige tijd nodig heeft gehad om zich in de omstandigheden van het geval te verdiepen. De stelling dat appellante redelijkerwijs niet in verzuim is geweest, moet dan ook worden verworpen.

De Afdeling is op grond van het bovenstaande dan ook van oordeel dat verweerder appellante terecht in haar bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.2. Het beroep is ongegrond.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.J. Können, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Können

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2004

301-375.