Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AP0489

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2004
Datum publicatie
04-06-2004
Zaaknummer
200403186/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Somalië / interim measures / EU-staat

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 106
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2004/278 met annotatie van PB
Ars Aequi RV20040067 met annotatie van A.M. van Kalmthout

Uitspraak

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

200403186/1.

Datum uitspraak: 28 mei 2004

Uitspraak op het hoger beroep van:

A,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 7 april 2004 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 maart 2004 is appellant in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 7 april 2004, verzonden op 9 april 2004, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen (hierna: de rechtbank), voorzover thans van belang, het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 16 april 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 21 april 2004 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 mei 2004, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. R. Kakes, advocaat te Lemmer, en de minister, vertegenwoordigd door mr. A.W. van Leeuwen, advocaat te

Den Haag, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 84, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), voorzover thans van belang, staat, in afwijking van artikel 37, eerste lid, van de Wet op de Raad van State, geen hoger beroep open tegen een uitspraak van de rechtbank over de toekenning van de vergoeding, bedoeld in artikel 106 van de Vw 2000.

Ingevolge artikel 95, tweede lid, van de Vw 2000, zoals deze bepaling sinds 1 september 2003 luidt, voorzover thans van belang, strekt het hoger beroep zich, in afwijking van artikel 84, aanhef en onder d, van die wet, ook uit over de toekenning van schadevergoeding, bedoeld in artikel 106.

2.1.1. Nu appellant opkomt tegen het oordeel van de rechtbank dat de maatregel van bewaring, die inmiddels was opgeheven, niet onrechtmatig was en het hoger beroep aldus niet louter gericht is tegen de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding, is de Afdeling, anders dan de minister heeft betoogd, bevoegd kennis te nemen van het hoger beroep.

2.2. In de enige grief klaagt appellant terecht dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op de in beroep aangevoerde gronden, ertoe strekkende dat het gebruik van een pseudo-Somalisch paspoort onrechtmatig en riskant is en dat het gebruik van een zogenoemde EU-staat in strijd is met het volkenrecht.

De grief slaagt.

2.3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling een oordeel geven omtrent de bij de rechtbank aangevoerde beroepsgronden.

2.4. Appellant heeft zich voor de rechtbank beroepen op de inmiddels door de President van het Europese Hof voor de rechten van de mens (hierna: de President) getroffen voorlopige maatregelen (“interim measures”) ter voorkoming van uitzetting van Somaliërs vanuit Nederland en betoogd dat aan deze reeks “interim measures” precedentwerking dient te worden toegekend, aangezien aannemelijk is dat deze zijn gebaseerd op de eerste beoordeling van de mensenrechten- en veiligheidssituatie in Somalië en de wijze van uitzetten naar Somalië.

Dienaangaande heeft de minister zich ter zitting van de Afdeling beroepen op de uitspraken van de Afdeling van 19 maart 2004 en 14 april 2004, waarin onder meer is overwogen dat in de getroffen voorlopige maatregelen niet is gemotiveerd waarom de Nederlandse Staat verzocht wordt de desbetreffende vreemdelingen niet uit te zetten en dat bij gebreke van enige motivering uit die voorlopige maatregelen niet kan worden afgeleid of deze betekenis hebben voor andere dan de desbetreffende Somalische vreemdelingen en zo ja, welke betekenis.

Ter zitting van de Afdeling is door partijen ingegaan op de brief van de zijde van de President van 3 mei 2004, inhoudende de mededeling dat in de zaak no. 15243/04 een voorlopige maatregel is getroffen, welke maatregel daarin wordt gemotiveerd met verwijzing naar de huidige situatie in Noord-Somalië en in het bijzonder de afwezigheid van een effectieve autoriteit die bescherming kan bieden aan de vreemdeling die tot een minderheid behoort en geen familie of clanbanden heeft in Noord-Somalië. Voorts wordt in de brief verwezen naar het feit dat geen garantie bestaat dat de vreemdeling zal worden toegelaten tot Noord-Somalië.

De Afdeling tekent hierbij aan dat de President op het moment waarop hij deze motivering op schrift heeft doen stellen, de beschikking had over de in vergelijkbare zaken gegeven antwoorden van de Nederlandse regering op de door het Europese Hof voor de rechten van de mens gestelde vragen.

2.5. Gelet op het algemene karakter van de thans voor de getroffen voorlopige maatregel gegeven motivering - waarbij de Afdeling in aanmerking neemt dat de daarbedoelde garantie bij uitzetting naar Somalië thans niet wordt geboden - moet worden geoordeeld dat voormelde gemotiveerde “interim measure” van de President vooralsnog in de weg staat aan uitzetting naar Noord-Somalië van vreemdelingen van Somalische nationaliteit die behoren tot een minderheid en die geen familie of clanbanden hebben in Noord-Somalië.

2.6. Nu in de onderhavige zaak echter het besluit tot inbewaringstelling dateert van 23 maart 2004 en appellant op 26 maart 2004 is uitgezet, kon de minister gedurende de periode van de inbewaringstelling van appellant met deze gemotiveerde maatregel geen rekening houden. Derhalve leidt het bovenstaande niet tot het oordeel dat de inbewaringstelling onrechtmatig was vanwege het ontbreken van zicht op uitzetting.

2.7. Met partijen gaat de Afdeling er vanuit dat appellant met gebruikmaking van een zogenoemde EU-staat is uitgezet en heeft gereisd. Ter zitting van de Afdeling is gebleken dat het partijen niet bekend is dat daarnaast gebruik is gemaakt van een pseudo-Somalisch paspoort. Omtrent eerstgenoemd document overweegt de Afdeling als volgt.

De bevoegdheid tot afgifte van deze EU-staat is, zo is door de minister medegedeeld, gebaseerd op de Aanbeveling van de Raad van de Europese Unie van 30 november 1994. Gebleken is dat deze Aanbeveling niet is omgezet in Nederlands recht. Dat voor het afgeven van een EU-staat geen wettelijke basis bestaat, strookt niet met het legaliteitsbeginsel. Dit leidt echter niet tot het oordeel dat uitzetting met behulp van een dergelijk document onrechtmatig is jegens appellant, nu het gebrek de interne Nederlandse rechtsorde regardeert, op appellant de rechtsplicht rust om Nederland te verlaten en de minister ter zitting van de Afdeling, met verwijzing naar de resultaten van het in 1995 verrichte en het thans nog lopende onderzoek naar het gebruik van en de ervaringen met de EU-staat bij verwijderingen, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat dit document in het merendeel van de oude EU-lidstaten bruikbaar is gebleken en door derde landen wordt geaccepteerd.

De omstandigheid dat geen overeenstemming over uitzettingen bestaat tussen Nederland en de feitelijke autoriteiten in de verschillende delen van Somalië, sluit niet uit dat een vreemdeling in de praktijk in staat is met behulp van een EU-staat terug te keren naar zijn land van herkomst. Van een wijze van uitzetting die onrechtmatig is en derhalve geen zicht op uitzetting biedt, is eerst sprake indien, onder meer op grond van eerdere ervaringen in vergelijkbare zaken, aannemelijk is dat de vreemdeling door gebruikmaking van de hem verschafte documenten het door hem beoogde reisdoel niet zal bereiken dan wel anderszins in de problemen zal geraken. Ter zitting van de Afdeling is door partijen aangegeven dat hen geen ervaringen bekend zijn die wijzen op het bestaan van een dergelijk risico. Derhalve is er in deze zaak geen grond om de inbewaringstelling wegens het bestaan van dat risico bij de uitzetting onrechtmatig te achten.

2.8. Gelet op het bovenstaande, verklaart de Afdeling het beroep ongegrond en wijst ingevolge artikel 106, tweede lid, van de Vw 2000, gelezen in verbinding met het eerste lid van dat artikel, het verzoek om schadevergoeding af.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 7 april 2004 in zaak nrs. AWB 04/13882 VRONTN A R05 G17 S4 en AWB 04/13717 VRONTN A R05 G17 S4;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. P. van Dijk en mr. H.G. Lubberdink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.J.J.M. van Tielraden, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Van Tielraden

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2004

Verzonden: 28 Mei 2004

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,