Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AP0399

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-06-2004
Datum publicatie
02-06-2004
Zaaknummer
200306021/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2003:AI1392
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 juli 2000 heeft het bureau rechtsbijstandvoorziening (hierna: het bureau) van appellant de voorwaardelijke toevoeging aan [wederpartij] op grond van artikel 31, derde lid, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) niet omgezet in een definitieve toevoeging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200306021/1.

Datum uitspraak: 2 juni 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de raad voor rechtsbijstand Amsterdam,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 augustus 2003 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2000 heeft het bureau rechtsbijstandvoorziening (hierna: het bureau) van appellant de voorwaardelijke toevoeging aan [wederpartij] op grond van artikel 31, derde lid, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) niet omgezet in een definitieve toevoeging.

Bij besluit van 19 november 2001, verzonden op 7 december 2001, heeft appellant het daartegen door [wederpartij] ingestelde administratief beroep, overeenkomstig het advies van de Commissie Bezwaar en Beroep van 14 november 2001, ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 augustus 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op beroep vernietigd en bepaald dat de raad binnen zes weken een nieuw besluit op administratief beroep neemt met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 september 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 3 oktober 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij besluit van 30 september 2003 heeft appellant, ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank, opnieuw beslissend op het administratief beroep, aan [wederpartij] een definitieve toevoeging verleend.

Bij brief van 1 december 2003 heeft [wederpartij] van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 maart 2004, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. R.J.M.V. Peeters, gemachtigde, en [wederpartij], in persoon, bijgestaan door mr. M.C.A. Stoop, advocaat te Heerhugowaard, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen zijn nog stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Wrb, voorzover hier van belang, geeft het bureau een voorwaardelijke toevoeging af, indien het verzoek om rechtsbijstand betrekking heeft op een aanmerkelijk financieel belang.

Ingevolge artikel 31, derde lid, van de Wrb, voorzover hier van belang, geeft het bureau geen definitieve toevoeging af, indien na beëindiging van de rechtsbijstand blijkt dat de financiële draagkracht van de verzoeker zodanig is toegenomen dat deze de in artikel 34 genoemde bedragen overschrijdt.

Ingevolge artikel 34, tweede lid, van de Wrb, voorzover hier van belang, wordt geen rechtsbijstand verleend, indien de rechtzoekende beschikt over een eigen vermogen van tenminste ƒ 14.000,00 (€ 6.352,92), indien hij alleenstaande is.

2.1.1. Ingevolge artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: het IVBPR) zijn allen gelijk voor de wet en hebben zonder discriminatie aanspraak op gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet discriminatie van welke aard ook en garandeert een ieder gelijke en doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status.

2.2. Op 22 juni 2000 heeft [wederpartij] verzocht de op 27 oktober 1998 verleende voorwaardelijke toevoeging om te zetten in een definitieve door met gebruikmaking van de hardheidsclausule het vermogen buiten beschouwing te laten nu ter zake van de boedelscheidingsprocedure op basis van een schikking een bedrag van ƒ 17.500,00 (€ 7.941,15) is ontvangen en de advocatennota ƒ 13.000,00 à ƒ 14.000,00 (€ 5.899,14 à € 6.352,92) bedraagt. Na betaling van de advocatennota zou het vermogen volgens [wederpartij] illusoir zijn.

Bij besluit van 5 juli 2000 heeft het bureau de voorwaardelijke toevoeging niet omgezet in een definitieve, omdat [wederpartij] op dat moment een bedrag van ƒ 17.500,00 (€ 7.941,15) had ontvangen, het vermogen van [wederpartij] derhalve de bij wet toegestane grens overschreed en [wederpartij] geen schulden of kosten had die als bijzondere uitgaven van het vermogen konden worden afgetrokken. Voor het toepassen van de hardheidsclausule heeft de raad onder deze omstandigheden geen aanleiding gezien.

2.3. De rechtbank heeft overwogen dat de intrekking van de toevoeging ertoe leidde dat in dit geval geen sprake was van de vrijlating van een eigen vermogen van ƒ 14.000,00 (€ 6.352,92) dat niet hoefde te worden aangewend voor de voorziening in de kosten van rechtsbijstand en dat, in aanmerking nemende dat blijkens de wetsgeschiedenis is beoogd te voorkomen dat burgers doordat zij rechtshulp moeten bekostigen minder dan ƒ 14.000,00 (€ 6.352,92) eigen vermogen overhouden, binnen het stelsel van de gefinancierde rechtshulp materieel gelijke gevallen ongelijk worden behandeld. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de wijze waarop appellant de wettelijke bepalingen in het geval van [wederpartij] heeft toegepast discriminatie oplevert als bedoeld in artikel 26 van het IVBPR en dat zich hiervoor geen rechtvaardigingsgrond voordoet.

2.4. Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet in alle gevallen de doelstelling van de Wrb wordt bereikt. Tevens betoogt hij dat niet kan worden aangenomen dat sprake is van discriminatie.

2.5. Uit de wetsgeschiedenis van de Wet rechtsbijstand aan on- en minvermogenden en de daaropvolgende Wrb is de Afdeling niet gebleken dat is beoogd te voorkomen dat burgers, doordat zij rechtshulp moeten bekostigen, minder dan ƒ 14.000,00 (€ 6.352,92) eigen vermogen overhouden. Uit het advies van de Adviescommissie Toevoegingsaangelegenheden van 18 december 1980 (TK, zitting 1980-1981, 16 493, nr. 9, pagina 4) blijkt dat de vermogensnormen niet dusdanig laag gesteld moeten worden dat al te veelvuldig een hardheidsclausule toegepast zou moeten worden. Uit de Memorie van Toelichting bij het wetvoorstel voor de Wrb (TK, zittingsjaar 1991-1992, 22 609, nr. 3, pagina 4 en 5) blijkt vervolgens, dat de Wrb er onder meer toe strekt om degenen die zelf over onvoldoende financiële middelen beschikken om te voorzien in de verlening van rechtsbijstand, een aanspraak te bieden op door de overheid betaalde rechtsbijstand en om het voorziene stelsel budgettair te beheersen. Hoewel in de kamerbehandeling niet aan de orde is gekomen onder welke omstandigheden een rechtzoekende geacht moet worden in een aanzienlijk betere situatie te zijn gekomen dan wel in staat moet worden geacht de declaratie van zijn advocaat te voldoen, blijkt uit de Memorie van Antwoord van 23 november 1993 (EK, vergaderjaar 1993-1994, 22 609, nr. 11b, pagina 4 en 5) dat de minister de mogelijke problemen die kunnen ontstaan bij de groep rechtzoekenden die juist boven de - in dat geval - inkomensgrens zit onder ogen heeft gezien, maar dat hij van mening is dat deze problemen niet opgelost kunnen worden langs de weg van de gefinancierde rechtsbijstand. Het afsluiten van een rechtsbijstandverzekering wordt door de minister voor deze groep zinvol geacht. Uit het vorenstaande dient te worden afgeleid dat de Wrb er slechts toe strekt de rechtzoekende die niet over voldoende middelen beschikt om zelf in rechtsbijstandverlening te voorzien, een toevoeging te verlenen en dat, ook indien na beëindiging van de rechtsbijstand nog slechts een bescheiden bedrag aan vermogen resteert, toch niet gesteld kan worden dat de rechtzoekende niet over voldoende middelen heeft beschikt om zelf in de rechtsbijstandverlening te voorzien. De rechtbank heeft dit miskend.

Van discriminatie als bedoeld in artikel 26 van het IVBPR is geen sprake als er voor het maken van onderscheid in het licht van de doelen van de van toepassing zijnde regeling redelijke en objectieve gronden bestaan. In dit geval is van dergelijke gronden sprake. Bij de in geding zijnde regelgeving heeft de wetgever slechts beoogd voor rechtzoekenden de weg naar de rechter te waarborgen door degenen die over onvoldoende draagkracht beschikken, al dan niet onder oplegging van een eigen bijdrage, door middel van een toevoeging te voorzien van verlening van rechtsbijstand. In dit geval beschikte [wederpartij] na beëindiging van de rechtsbijstand over voldoende middelen om de advocaatkosten te voldoen, zodat zij niet tot de in de Wrb beoogde doelgroep behoort. Het bureau heeft de Wrb en het Bdr naar het oordeel van de Afdeling op de juiste wijze en conform de doelstelling toegepast. Het besluit van 19 november 2001, waarbij het administratief beroep van [wederpartij] ongegrond is verklaard, is ten onrechte door de rechtbank vernietigd. Vervolgens heeft de rechtbank ten onrechte bepaald dat de raad een nieuw besluit op administratief beroep moest nemen.

2.6. Uit het vorenoverwogene blijkt dat het hoger beroep gegrond is. Hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd kan gelet hierop buiten beschouwing worden gelaten. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Het beroep bij de rechtbank dient alsnog ongegrond te worden verklaard.

Met betrekking tot het nadere besluit van appellant van 30 september 2003, dat een wijziging inhoudt van zijn besluit van 19 november 2001, stelt de Afdeling vast dat dit besluit, gelet op artikel 6:24 in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, geacht moet worden eveneens onderwerp van het geding te zijn. Het besluit van 30 september 2003 komt voor vernietiging in aanmerking, aangezien de opdracht van de rechtbank aan appellant om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, gelet op het vorenstaande, gegrond is op haar onjuiste oordeel dat het besluit van 19 november 2001 diende te worden vernietigd.

2.7. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 augustus 2003, AWB 02/302 WRB;

II. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad voor rechtsbijstand Amsterdam van 30 september 2003, 4CE8011.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Groenendijk

Voorzitter mbtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2004

164-420.