Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AP0020

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-05-2004
Datum publicatie
26-05-2004
Zaaknummer
200307940/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 januari 2003 heeft de gemeenteraad van Haren, op voorstellen van het college van burgemeester en wethouders van 12 november 2002 en 14 januari 2003, het bestemmingsplan “Meerwegbrug-noordzijde” vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200307940/1.

Datum uitspraak: 26 mei 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Groningen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2003 heeft de gemeenteraad van Haren, op voorstellen van het college van burgemeester en wethouders van 12 november 2002 en 14 januari 2003, het bestemmingsplan “Meerwegbrug-noordzijde” vastgesteld.

Verweerder heeft bij besluit van 26 augustus 2003,

no. 2003-02245/35/B.92, RP, beslist omtrent de goedkeuring van het plan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 26 november 2003, bij de Raad van State ingekomen op 26 november 2003, beroep ingesteld.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 april 2004, waar verweerder, vertegenwoordigd door J. Koopman, ambtenaar van de provincie, is verschenen. Voorts is de gemeenteraad, vertegenwoordigd door J.J. Betten, ambtenaar van de gemeente, gehoord. Appellant is met voorafgaande kennisgeving niet ter zitting verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht. De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het plan betreft een gebied ten noorden van de Meerweg, dat aan de westzijde wordt begrensd door het Willemskanaal en aan de oostzijde door rijksweg A28. Voorzover hier van belang is aan deze gronden de bestemming “Gemengde doeleinden” toegekend, die onder meer voorziet in woongebruik en kleinschalige bedrijvigheid.

2.3. Verweerder heeft goedkeuring onthouden aan een gedeelte van het plandeel met de bestemming “Gemengde doeleinden”, voorzover deze is toegekend aan gronden waarop een schuur en een loods staan. Doordat deze bebouwing geen onderdeel uitmaakt van de gronden waarop het op de plankaart aangeduide bouwvlak betrekking heeft, is deze bebouwing onder het overgangsrecht gebracht. Dit heeft verweerder in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht.

2.3.1. Met de onthouding van goedkeuring is verweerder tegemoet gekomen aan de bedenkingen van appellant met betrekking tot de bestemmingsregeling voor de schuur en de loods. Voorzover appellant betoogt dat de motivering van de onthouding van goedkeuring ondeugdelijk is, omdat verweerder voorbij is gegaan aan in artikel 12, sub b, eerste lid, onder b en c, van de voorschriften opgenomen vereisten met betrekking tot het handhaven van een doorzicht tussen bebouwing, overweegt de Afdeling dat de door appellant bedoelde voorschriften geen onderdeel uitmaken van dit bestemmingsplan. Het beroep mist in zoverre dan ook feitelijke grondslag.

2.4. Appellant stelt verder in beroep dat verweerder het plandeel met de bestemming “Gemengde doeleinden”, voorzover dat betrekking heeft op het perceel Meerweg 145a, ten onrechte heeft goedgekeurd, omdat niet is voorzien in de mogelijkheid tot het bouwen van een kantoorruimte.

2.4.1. Verweerder acht dit plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening en heeft het goedgekeurd.

2.4.2. Ingevolge artikel 4, eerste lid, onder a, zijn de op de kaart voor “Gemengde doeleinden” aangewezen gronden onder meer bestemd voor kantoren. Het plan voorziet derhalve, evenals voor het perceel [locatie], in de mogelijkheid een kantoorruimte op het perceel te bouwen. Hetgeen appellant naar voren heeft gebracht biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder er niet van heeft kunnen uitgaan dat de voor het perceel opgenomen bestemmingsregeling in de door appellant gewenste bedrijfsuitoefening voorziet.

2.5. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bestreden plandeel, voorzover goedgekeurd, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan dit onderdeel van het plan. Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Klein

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2004

-275.