Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AP0014

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-05-2004
Datum publicatie
26-05-2004
Zaaknummer
200307628/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 april 2003, nr. I/AvH 03-684, heeft verweerder een door [vergunninghoudster] gedane melding als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer geaccepteerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2004/4504

Uitspraak

200307628/1.

Datum uitspraak: 26 mei 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

burgemeester en wethouders van Bolsward,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 april 2003, nr. I/AvH 03-684, heeft verweerder een door [vergunninghoudster] gedane melding als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer geaccepteerd.

Bij besluit van 11 november 2003, kenmerk I/AvH 03-1954, verzonden op 11 november 2003, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 17 november 2003, bij de Raad van State ingekomen op 18 november 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 17 december 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nog stukken ontvangen van de inrichtinghoudster. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 mei 2004, waar verweerder, vertegenwoordigd door mr. I. van der Meer, advocaat te Leeuwarden, en A.C. van Heijum, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Tevens zijn namens vergunninghoudster mr. E. van der Hoeven en [gemachtigde], gemachtigden, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Verweerder betoogt dat de milieuwetgeving aan appellanten geen bescherming tegen geluidoverlast biedt omdat zij op een gezoneerd industrieterrein wonen. Hij meent dat het beroep, nu dit zich volledig op geluidhinder richt, om die reden niet inhoudelijk kan worden behandeld.

De Afdeling overweegt dat de omstandigheid dat de Wet geluidhinder niet voorziet in geluidgrenswaarden die gelden voor woningen op een gezoneerd industrieterrein er niet aan in de weg staat dat de milieuwetgeving een dergelijke woning toch een zekere afgeleide bescherming tegen geluidhinder biedt. Er bestaat dan ook geen aanleiding van een inhoudelijke behandeling van het beroep af te zien.

2.2. De verandering van de inrichting die [vergunninghoudster] op 17 april 2003 heeft gemeld heeft betrekking op het binnen de inrichtingsgrenzen uitbreiden van opslagruimte voor het slaan van mallen.

2.3. Ingevolge artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer geldt een voor een inrichting verleende vergunning tevens voor veranderingen van de inrichting of van de werking daarvan die niet in overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende vergunning of de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften, maar die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken, onder de voorwaarde dat:

a. deze veranderingen niet leiden tot een andere inrichting dan waarvoor vergunning is verleend;

b. het voornemen tot het uitvoeren van de verandering door de vergunninghouder schriftelijk overeenkomstig de krachtens het zevende lid, onder a, gestelde regels aan het bevoegd gezag is gemeld, en

c. het bevoegd gezag aan de vergunninghouder schriftelijk heeft verklaard dat de voorgenomen verandering voldoet aan de aanhef en onderdeel a en de verandering naar zijn oordeel geen aanleiding geeft tot toepassing van de artikelen 8.22, 8.23 of 8.25.

2.4. Appellanten voeren aan dat de melding ten onrechte is geaccepteerd. Zij betogen in dat kader dat thans al niet door [vergunninghoudster] wordt voldaan aan de geluidvoorschriften zoals verbonden aan de vergunning van 17 juli 1995.

2.4.1. Verweerder erkent dat [vergunninghoudster] niet voldeed aan de in haar vergunning opgenomen geluidnormen. Hij stelt naar aanleiding van deze overschrijdingen handhavingsmaatregelen te hebben genomen. De overschrijding van de geluidvoorschriften kan, naar zijn mening, echter geen rol spelen bij de beoordeling van de onderhavige melding.

2.4.2. De Afdeling stelt vast dat voor de omvang van het equivalente geluidniveau, dat de inrichting ter plaatse van de immissiepunten op grond van de onderliggende vergunning mag veroorzaken, de vergunde situatie bepalend is. De omstandigheid dat de onderliggende vergunning op dit punt niet wordt nageleefd, doet aan het vorenstaande niets af. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen de strekken tot het afdwingen van de naleving van de aan de vergunning verbonden geluidvoorschriften. Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.5. Appellanten voeren aan dat de gemelde verandering van de inrichting tot een toename van het equivalente geluidniveau leidt en daarmee tot grotere nadelige gevolgen voor het milieu. De melding had, volgens hen, ook om die reden niet mogen worden geaccepteerd.

2.5.1. Verweerder voert aan dat de gemelde verandering nauwelijks extra geluid oplevert. De verandering blijft binnen de aan de milieuvergunning verbonden geluidvoorschriften.

2.5.2. De Afdeling overweegt dat ten behoeve van de melding door verweerder aan de gemeente Sneek is verzocht geluidtechnisch onderzoek te verrichten. Blijkens het naar aanleiding daarvan opgestelde rapport van 26 juli 2003, kenmerk bo-bos-ac/SMI, zal het equivalente geluidniveau ter plaatse van de immissiepunten 1 en 2 niet toenemen. Het equivalente geluidniveau op de immissiepunten 3 en 4 zal slechts op zodanige wijze toenemen dat de in voorschrift 1 ter plaatse van deze immissiepunten gestelde grenswaarden, niet zullen worden overschreden. Niet is gebleken dat het akoestisch onderzoek op verkeerde uitgangspunten is gebaseerd dan wel anderszins gebreken vertoont. Gelet hierop leidt de verandering van de werking van de inrichting daarmee niet tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken. De Afdeling ziet derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat de melding ten onrechte is geaccepteerd. Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.6. Appellanten voeren aan dat uit het akoestisch onderzoek van 26 juli 2003 blijkt dat de geluidzone vanwege de activiteiten van het onderhavige bedrijf wordt overschreden. Op basis van artikel 8.8, derde lid, onder a, van de Wet milieubeheer had verweerder bij hun beslissing met deze geluidzone rekening moeten houden en had de melding niet mogen worden geaccepteerd.

2.6.1. Verweerder stelt dat de overschrijding van de geluidzone niet worden veroorzaakt door de veranderingen van de inrichting, maar door de overtreding van de aan de vergunning verbonden geluidvoorschriften.

2.6.2. De Afdeling stelt vast dat de onderhavige inrichting is gelegen op een gezoneerd industrieterrein. Rond dit industrieterrein is ingevolge artikel 53 van de Wet geluidhinder een geluidzone vastgelegd waar buiten de geluidbelasting vanwege het terrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan. In het geval van vergunningverlening voor een bedrijf op een gezoneerd industrieterrein moet verweerder de zonegrenswaarden en grenswaarden bij woningen binnen de zone op grond van artikel 8.8, derde lid, onder a, van de Wet milieubeheer in acht nemen.

Verweerder heeft bij het opstellen van de aan de milieuvergunning verbonden geluidvoorschriften dus bezien of de aangevraagde activiteit mogelijk tot overschrijding van de 50 dB(A) zonegrenswaarde alsmede van de toelaatbare geluidbelasting van de woningen binnen de zone leidt. Uit het akoestischonderzoek van 26 juli 2003 blijkt dat de gemelde veranderingen niet tot een overschrijding van deze voorschriften zullen leiden. De veranderingen zullen dus ook niet tot een overschrijding van de geluidzone aanleiding geven. Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.7. Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Klap

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2004

315.