Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO9997

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-05-2004
Datum publicatie
26-05-2004
Zaaknummer
200401658/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 september 2003 heeft de gemeenteraad van Woensdrecht, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 15 september 2003, het bestemmingsplan “De Luchtballon” vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200401658/1.

Datum uitspraak: 26 mei 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting “ Stichting De Luchtballon”, gevestigd te Breda,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant ,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 september 2003 heeft de gemeenteraad van Woensdrecht, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 15 september 2003, het bestemmingsplan “De Luchtballon” vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 16 december 2003, nummer 947159, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 24 februari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 25 februari 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 29 april 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 mei 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. S.M.E.J. Savelkouw, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Verder is daar gehoord de gemeenteraad van Woensdrecht, vertegenwoordigd door mr. D.C.T.M. Martens, ambtenaar van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om – in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen – te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het plan voorziet in een planologisch-juridisch kader van een voormalige militair terrein aan de Trambaan te Woensdrecht. Met het plan wordt onder meer beoogd het gebruik van een aantal voormalige militaire gebouwen op dit terrein en van een gedeelte van het binnenterrein voor recreatieve doeleinden, bestaande uit het houden van vakantiekampen voor astmatische jongeren en gezinnen met een gehandicapt kind, mogelijk te maken.

2.3. Verweerder heeft bij het bestreden besluit, voor zover hier relevant, goedkeuring onthouden aan artikel 7, lid A, onder twee, en artikel 7, lid B, van de planvoorschriften en aan het plandeel met de aanduiding “vrijwilligersbos” bij de bestemming “Bos”. Hij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de hiermee toegelaten recreatieve voorzieningen de natuurwaarden van het bosgebied, waarvan het zogenoemde vrijwilligersbos deel uitmaakt, kunnen aantasten. Volgens verweerder biedt het plan onvoldoende inzicht in de mogelijke aantasting van dit bosgebied. Verweerder merkt op dat het bosgebied onder meer deel uitmaakt van de GHS-natuur, subzone “overige bos- en natuurgebied”.

2.4. Appellante stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan het plandeel met de aanduiding “vrijwilligersbos” bij de bestemming “Bos”. Zij betwist dat het bos zal worden aangetast. Zij wijst hierbij op het feit dat voor de plaatsing van de recreatieve voorzieningen het bosgebied niet behoeft te worden aangepast, nu naar zij stelt, geen bomen behoeven te worden gekapt. Verder betreft het volgens appellante een kampeerplek voor maximaal acht weken, zodat de invloed van het kamperen op de in dat gebied aanwezige flora en fauna van geringe en tijdelijke aard zal zijn.

2.5. De gemeenteraad heeft aan gronden de aanduiding “vrijwilligersbos” bij de bestemming “Bos” toegekend, om te voorzien in een kampeerplek voor vrijwilligers, koks, een fysiotherapeut, technische dienst, een recreatieteam en begeleiders van de gezinsvakanties. Deze plek is blijkens de plantoelichting gekozen, omdat op het bebouwde deel van het militaire terrein daarvoor geen ruimte is.

2.6. Ingevolge artikel 7, lid A, onder twee, van de planvoorschriften zijn uitsluitend de gronden die op de plankaart zijn aangewezen als “Bos” met de aanduiding “vrijwilligersbos” bestemd voor recreatieve voorzieningen ten behoeve van recreatief (nacht)verblijf.

In artikel 7, lid B, van de planvoorschriften, beschrijving in hoofdlijnen, is bepaald dat uitsluitend ter plaatse van de aanduiding “vrijwilligersbos” recreatieve voorzieningen in de vorm van ten hoogste één tentenkamp voor recreatief (nacht)verblijf tot een terreinoppervlak van 450 m2 zijn toegestaan.

Vaststaat dat geen onderzoek heeft plaatsgevonden naar de gevolgen van de toegelaten recreatieve voorzieningen en het toegelaten gebruik op de natuurwaarden van het betrokken bosgebied.

Het plangebied ligt onder meer in een gebied dat op kaart 2 bij het streekplan “Brabant in Balans” is aangeduid als “Groene Hoofdstructuur Natuur” met de nadere aanduiding “overig bos- en natuurgebied”. Volgens het streekplan moet in een gebied met deze aanduiding worden gezorgd voor maximale rust en ruimte voor de ontwikkeling van de natuur- en landschapswaarden.

Dit streekplanbeleid acht de Afdeling in het algemeen niet onredelijk. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat ter plaatse geen natuurwaarden aanwezig zijn. Gelet op het streekplanbeleid is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een onderzoek naar de mogelijke gevolgen voor de natuurwaarden van het bosgebied nodig is. Appellante heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat de gevolgen voor de natuurwaarden van het bosgebied van een zodanig geringe en tijdelijke aard zullen zijn dat het door verweerder vereiste onderzoek achterwege zou kunnen worden gelaten. De enkele omstandigheid dat geen bomen hoeven worden gekapt, betekent niet dat de natuurwaarden niet worden aangetast. Verder neemt de Afdeling in aanmerking dat het plan meer toelaat dan het door appellante beoogde gebruik. In de planvoorschriften is immers de plaatsing van de recreatieve voorzieningen niet in tijdsduur beperkt. Evenmin volgt uit de planvoorschriften dat het gebruik van de tot “Bos” bestemde gronden met de aanduiding “vrijwilligersbos” is beperkt ten behoeve van het houden van vakantiekampen voor astmatische jongeren en gezinnen met een gehandicapt kind.

2.7. Gelet op het vorenstaande is het plan in zoverre in strijd met artikel 9, eerste lid, van het Besluit op de Ruimtelijke Ordening 1985. Verweerder heeft daarom terecht goedkeuring onthouden aan de aanduiding “vrijwilligersbos” bij de bestemming “Bos”.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Soede

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2004

270-387.