Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO9994

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-05-2004
Datum publicatie
26-05-2004
Zaaknummer
200307072/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 februari 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (hierna: het college) met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van 13 bergingen op woonwagenlocatie "Oorkondelaan" aan de Pladellastraat, kadastraal bekend gemeente Haarlem, sectie E, nummer 5999 (gedeeltelijk) te Haarlem.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200307072/1.

Datum uitspraak: 26 mei 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Veduta Vastgoed B.V. en Versatel Nederland B.V., beide gevestigd te Amsterdam, Cobraspen Beheer B.V., gevestigd te Overveen en Speechcom B.V., Lycos Netherlands B.V., ATOBE B.V. en Serac B.V., alle gevestigd te Haarlem,

appellanten,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Haarlem van 29 september 2003 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (hierna: het college) met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van 13 bergingen op woonwagenlocatie "Oorkondelaan" aan de Pladellastraat, kadastraal bekend gemeente Haarlem, sectie E, nummer 5999 (gedeeltelijk) te Haarlem.

Bij besluit van 1 juli 2003, bekendgemaakt bij brief van 17 juli 2003 heeft het college het door appellanten daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit van 19 februari 2003 in die zin gewijzigd dat de voorwaarde van de plaatsing van een geluidsscherm vervalt.

Bij uitspraak van 29 september 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Haarlem (hierna: de voorzieningenrechter) het door appellanten daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en het besluit van 19 februari 2003 geschorst tot zes weken na bekendmaking van de nieuw te nemen beslissing op bezwaar. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 27 oktober 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 31 december 2003 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 mei 2004, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. F.J.A. van Ooijen, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door J.A. Nupoort, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 19, eerste lid, WRO, voorzover hier van belang, kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van het college van gedeputeerde staten (hierna: gedeputeerde staten) de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen het toekomstige bestemmingsplan van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan het college van burgemeester en wethouders.

Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO, kan het college van burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

2.2. Het project voorziet in de bouw van 13 bergingen, die onderdeel uitmaken van een geplande uitbreiding van de bestaande woonwagenlocatie aan de Pladellastraat te Haarlem met 5 woonwagenstandplaatsen.

2.3. De voorzieningenrechter heeft de beslissing op bezwaar vernietigd omdat het college niet bevoegd was om vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO, te verlenen. In dit verband heeft de voorzieningenrechter overwogen dat het college ten onrechte heeft aangenomen dat het project valt onder één van de door gedeputeerde staten van Noord-Holland aangewezen categorieën van gevallen waarvoor geen verklaring van geen bezwaar is vereist.

2.4. Het hoger beroep van appellanten is gericht tegen de overweging van de voorzieningenrechter dat de bergingen afzonderlijk van de te plaatsen woonwagens konden worden vergund. Volgens appellanten staat niet vast dat het woonwagencentrum "Oorkondelaan" zal kunnen worden uitgebreid.

Dit betoog treft geen doel. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat de bergingen en de woonwagens niet een dusdanige bouwkundige en functionele samenhang vormen dat zij als één geheel beschouwd moeten worden. Dit oordeel houdt niet méér in dan dat de bergingen (in bouwkundig opzicht) zelfstandige bouwwerken zijn. Aan de door appellanten aangevoerde argumenten met betrekking tot de vraag of het college in de gegeven ruimtelijke onderbouwing voldoende aandacht heeft besteed aan de haalbaarheid van de uitbreiding van het aantal woonwagenstandplaatsen, is de voorzieningenrechter niet toegekomen, nu hij de beslissing op bezwaar op een formele grond heeft vernietigd. De vraag of het project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing dient aan de orde te komen in het kader van de nieuw te nemen beslissing op bezwaar en kan daarna desgewenst aan de bestuursrechter ter toetsing worden voorgelegd.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven w.g. Klein Nulent

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2004

218-422.