Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO9989

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-05-2004
Datum publicatie
26-05-2004
Zaaknummer
200306036/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 november 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college) het verzoek van appellant om de gegevens betreffende zijn burgerlijke staat in de gemeentelijke basisadministratie te wijzigen overeenkomstig een door hem getoonde huwelijksakte, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2004, 191

Uitspraak

200306036/1.

Datum uitspraak: 26 mei 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Rotterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 juli 2003 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 november 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college) het verzoek van appellant om de gegevens betreffende zijn burgerlijke staat in de gemeentelijke basisadministratie te wijzigen overeenkomstig een door hem getoonde huwelijksakte, afgewezen.

Bij besluit van 3 september 2002 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 juli 2003, verzonden op 28 juli 2003, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 september 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 23 oktober 2003 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 10 maart 2004 heeft appellant een nadere reactie ingezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 maart 2004, waar het college, vertegenwoordigd door L.H. Drost, ambtenaar van de gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, ten eerste, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de Wet GBA) worden in de basisadministratie van de gemeente van inschrijving gegevens over de burgerlijke staat opgenomen.

Ingevolge artikel 36, tweede lid, worden de gegevens over de burgerlijke staat, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e:

a. een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand;

b. een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan;

c. een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een akte van bekendheid of beëdigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

d. een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld;

e. een verklaring die betrokkene ten overstaan van een door het college aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend.

Ingevolge artikel 36a, eerste lid, worden aan een geschrift als bedoeld in artikel 36, tweede lid, onder c, d of e, dan wel artikel 36, derde lid, geen gegevens ontleend over het huwelijk of het geregistreerd partnerschap dat is gesloten tussen echtgenoten dan wel geregistreerde partners van wie tenminste één vreemdeling is, voordat het college van burgemeester en wethouders zich een door de korpschef in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 afgegeven verklaring heeft doen overleggen.

Ingevolge artikel 37, tweede lid, worden aan een geschrift als bedoeld in artikel 36, tweede lid, onder c, d of e, geen gegevens ontleend, voorzover de Nederlandse openbare orde zich verzet tegen de erkenning van de rechtsgeldigheid van de in deze geschriften vermelde feiten.

Ingevolge artikel 40, tweede lid, wordt, indien bij de ontlening van gegevens over een huwelijk dat is gesloten tussen echtgenoten van wie ten minste een vreemdeling is, aan een geschrift als bedoeld in artikel 36, tweede lid, onder c, d of e, dan wel artikel 36, derde lid, op grond van de verklaring van de korpschef in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 of anderszins het redelijke vermoeden bestaat dat het oogmerk van de echtgenoten, of een van beiden, niet was gericht op de vervulling van de door de wet aan de huwelijkse staat verbonden plichten, doch op het verkrijgen van toelating tot Nederland, in afwijking van het eerste lid, over de ontlening van de gegevens over het huwelijk advies van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage ingewonnen.

Ingevolge artikel 82, eerste lid, voldoet het college van burgemeester en wethouders binnen vier weken kosteloos aan het verzoek van betrokkene hem betreffende gegevens in de basisadministratie te verbeteren, aan te vullen of te verwijderen, indien deze feitelijk onjuist dan wel onvolledig zijn of in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.

Ingevolge artikel 83, aanhef en onder f, - voorzover thans van belang - wordt een beslissing van het college van burgemeester en wethouders om niet te voldoen aan een verzoek als bedoeld in artikel 82 gelijkgesteld met een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

2.1.1. Ingevolge artikel 6 van de Wet conflictenrecht huwelijk wordt aan een buiten Nederland gesloten huwelijk erkenning onthouden, indien deze erkenning onverenigbaar zou zijn met de openbare orde. Op grond van deze bepaling zal de ambtenaar van de bevolkingsadministratie (thans: de ambtenaar van de gemeentelijke basisadministratie) kunnen weigeren betrokkenen als gehuwd te registreren wanneer hij de overtuiging heeft dat het in het buitenland gesloten huwelijk een schijnhuwelijk is (TK 1991-1992, 22 488, nr. 3, p. 5).

Gelet op het bepaalde in de artikelen 1:50, 1:53 en 1:71a van het Burgerlijk Wetboek is het sluiten van een schijnhuwelijk in strijd met de openbare orde. Van een schijnhuwelijk is sprake indien het oogmerk van de (aanstaande) echtgenoten, of één hunner, niet is gericht op de vervulling van de door de wet aan de huwelijkse staat verbonden plichten, doch op het verkrijgen van toelating tot Nederland.

2.2. Appellant, geboren […] te [land] en thans wonende in Nederland, heeft sedert 29 juni 1987 de Nederlandse nationaliteit. Van 10 augustus 1984 tot 16 april 1991 is hij gehuwd geweest met [partij a], die de Nederlandse nationaliteit heeft. Van 29 november 1993 tot 5 februari 1998 is appellant gehuwd geweest met [partij b], die de Nederlandse nationaliteit op 2 augustus 1997 heeft verkregen. Op 13 oktober 2000 is appellant in Suriname in het huwelijk getreden met [partij c] geboren 14 december 1972 en van Surinaamse nationaliteit. Op 31 oktober 2000 heeft [partij c] een aanvraag tot een machtiging tot voorlopig verblijf voor verblijf bij appellant, ingediend. Op 1 februari 2001 heeft appellant de dienst burgerzaken van de gemeente Rotterdam verzocht om de gegevens betreffende zijn burgerlijke staat in de gemeentelijke basisadministratie te wijzigen.

Het college heeft, onder overneming van de adviezen van de korpschef van de regiopolitie Rijnmond en de ambtenaar van de burgerlijke stand van ’s-Gravenhage van15 februari 2001 respectievelijk 27 september 2001, de inschrijving van het tussen appellant en [partij c] gesloten huwelijk geweigerd omdat naar zijn oordeel sprake is van een schijnhuwelijk.

2.3. Het hoger beroep richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat in het onderhavige geval voldoende aannemelijk is dat sprake is van de sluiting van een schijnhuwelijk, waarbij het oogmerk van (één van) de echtgenoten is gericht op het verkrijgen van toelating tot Nederland. Appellant bestrijdt dit oordeel tevergeefs.

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een schijnhuwelijk hanteert het college een indicatielijst, waarbij een aantal in acht te nemen feiten en omstandigheden is opgesomd. Deze opsomming is niet limitatief. Voorts kunnen de afzonderlijke feiten en omstandigheden niet de doorslag geven bij de beantwoording van de hiervoor gestelde vraag.

De rechtbank heeft overwogen dat het hanteren van deze criteria niet onjuist of onredelijk is en dat in het onderhavige geval meerdere indicaties van toepassing zijn, zoals het doorlopen van eerdere toelatingsprocedures met negatief gevolg, het eerder sluiten van een kortdurend huwelijk met een vreemdeling, de haast met de huwelijkssluiting en het leeftijdsverschil. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn echtgenote financieel onderhoudt en dat tijdens ondervragingen is gebleken dat betrokkenen nauwelijks iets hebben kunnen vertellen over elkaars persoonlijke omstandigheden. De Afdeling onderschrijft deze overwegingen.

Hetgeen appellant hier tegenover heeft gesteld heeft de Afdeling niet tot een ander oordeel kunnen brengen. Die omstandigheden doen immers niet af aan het standpunt van het college dat aan een groot aantal indicaties van het niet kennelijk onredelijk beleid was voldaan.

De stelling van appellant, dat voor het verkrijgen van een machtiging tot voorlopig verblijf het huwelijk eerst dient te zijn ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, maakt het voorgaande niet anders.

Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat het college terecht en op goede gronden tot de conclusie is gekomen, dat niet tot inschrijving van het huwelijk met [partij c] in de gemeentelijke basisadministratie kan worden overgegaan, omdat sprake is van een schijnhuwelijk als hiervoor bedoeld. De rechtbank is tot dezelfde slotsom gekomen.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.C.S. Bakker, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Bakker

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2004

393.