Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO9988

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-05-2004
Datum publicatie
26-05-2004
Zaaknummer
200305938/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juli 2003 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "ROC Wanssum B.V." een vergunning verleend voor het veranderen van een (havengebonden) logistiek- en distributiecentrum, waar containers worden op- en overgeslagen, uitgepakt en verladen, gelegen op het perceel Geijsterseweg 16, kadastraal bekend gemeente Wanssum, sectie D, nummers 188, 189, 738 (gedeeltelijk), 741 (gedeeltelijk) en 1192 (gedeeltelijk). Dit besluit is op 31 juli 2003 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200305938/1.

Datum uitspraak: 26 mei 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], allen wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Meerlo-Wanssum,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 juli 2003 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "ROC Wanssum B.V." een vergunning verleend voor het veranderen van een (havengebonden) logistiek- en distributiecentrum, waar containers worden op- en overgeslagen, uitgepakt en verladen, gelegen op het perceel Geijsterseweg 16, kadastraal bekend gemeente Wanssum, sectie D, nummers 188, 189, 738 (gedeeltelijk), 741 (gedeeltelijk) en 1192 (gedeeltelijk). Dit besluit is op 31 juli 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 4 september 2003, bij de Raad van State ingekomen op 5 september 2003, en appellant sub 2 bij brief van 10 september 2003, bij de Raad van State ingekomen op 15 september 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 27 oktober 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 18 februari 2004. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant sub 2, verweerder en vergunninghoudster. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 mei 2004, waar appellanten sub 1, van wie [drie van de appellanten] in persoon, appellant sub 2 in persoon en verweerder, vertegenwoordigd door mr. ing. R.Ph.H. Sangers en ing. R.H.R. Slangen, gemachtigden, en A.J.M. Heuijerjans, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. A. Kaspers, advocaat te Amsterdam, en [directeur].

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 1 maart 2001 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer een vergunning voor het oprichten en in werking hebben van de inrichting verleend. Bij besluit van 22 oktober 2001 heeft verweerder een vergunning voor het veranderen van de inrichting verleend. De Afdeling heeft dit besluit vanwege geluidaspecten bij uitspraak van 11 december 2002, nummer 200105989/1, vernietigd. Bij onderhavig besluit heeft verweerder, met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling, opnieuw een veranderingsvergunning verleend.

De vergunning heeft betrekking op een uitbreiding van de inrichting met een portaalkraan, een bluswatervoorziening en een opslagterrein voor containerbewaring. De verandering betreft verder een verkleining van de inrichting, in die zin dat de noordwestelijke terreingrens gelijk loopt met de 50 dB(A) contour ter plekke. Voorts zal de reeds aanwezige mobiele containerkraan worden verplaatst.

2.2. Verweerder heeft gesteld dat het beroep van appellant sub 2

niet-ontvankelijk is voor zover dat zich keert tegen het niet toepassen van de toeslag voor tonaal geluid met betrekking tot de portaalkraan en voor impulsgeluid vanwege het neerzetten van de containers.

Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Anders dan verweerder heeft gesteld vinden bovengenoemde gronden wel hun grondslag in de bedenkingen, waarin door appellant sub 2 de naleefbaarheid van de gestelde geluidgrenswaarden in twijfel wordt getrokken. Het beroep van appellant sub 2 is daarom ontvankelijk.

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.4. Voorzover appellanten sub 1 betogen dat verweerder en vergunninghoudster inadequaat reageren op klachten over geluidoverlast van omwonenden van de inrichting, overweegt de Afdeling dat deze grond geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en dat deze om die reden niet kan slagen. Hetzelfde geldt voor de door appellant sub 2 naar voren gebrachte gronden met betrekking tot de controle op het in werking zijn van de inrichting.

2.5. Appellant sub 2 stelt dat onduidelijk is hoeveel containers mogen worden overgeslagen.

De Afdeling deelt deze stelling niet. Er bestaat naar het oordeel van de Afdeling, gelet op het aan de vergunning verbonden voorschrift 7.19 waarin is bepaald dat in de gehele inrichting (overeenkomstig de aanvraag) maximaal 40.000 containers per kalenderjaar mogen worden overgeslagen, geen onduidelijkheid over de maximale hoeveelheid containers die mogen worden overgeslagen. Het beroep mist in zoverre feitelijke grondslag.

2.6. Appellanten sub 1 stellen dat de uitkomsten van het, uit berekeningen bestaande akoestisch onderzoek, waarop verweerder zich bij het nemen van het bestreden besluit heeft gebaseerd, niet overeenkomen met de beleving van de omwonenden. Zij vrezen dat, indien de inrichting volledig in werking zal zijn, de geluidscontour zal worden overschreden. Zij zijn van mening dat de geluidvoorschriften moeten worden aangescherpt.

Appellant sub 2 stelt dat de in het geluidrapport gehanteerde uitgangspunten, te weten het aantal kraan- en vrachtwagenbewegingen, niet realistisch zijn en leiden tot overschrijding van de geluidnormen.

Verder voert hij aan dat bij de bepaling van het bronniveau van de mobiele kraan ten onrechte 1 dB(A) is afgetrokken vanwege reflectie van de containers, dat de toeslag voor tonaal geluid met betrekking tot de mobiele kraan verkeerd is toegepast en dat ten onrechte geen toeslag is toegepast voor tonaal geluid vanwege de portaalkraan en voor impulsgeluid vanwege het neerzetten van de containers.

2.6.1. Blijkens de stukken is de inrichting (deels) gelegen op het industrieterrein “Haven- en industrieterrein”, waarvoor krachtens artikel 53 van de Wet geluidhinder een geluidzone is vastgesteld. Voor een vijftal woningen zijn bij besluit van 19 januari 2000 krachtens de Wet geluidhinder zogenoemde MTG-waarden hoger dan 55 dB(A) vastgesteld.

Ter voorkoming dan wel voldoende beperking van geluidhinder vanwege het in werking zijn van de gehele inrichting heeft verweerder onder meer de voorschriften 3.1 en 3.2 aan de vergunning verbonden, waarin grenswaarden, die gelden op nader aangeduide zonebewakingspunten, zijn neergelegd voor respectievelijk het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en de maximale geluidniveaus. Deze voorschriften dienen ter vervanging van de voorschriften, zoals opgenomen in hoofdstuk 3 van het voorschriftenpakket behorend bij de bij besluit van 1 maart 2001 verleende oprichtingsvergunning, die bij het bestreden besluit zijn ingetrokken.

Verweerder stelt zich mede op basis van een door Adviesbureau Peutz & Associes (hierna: Peutz) verricht akoestisch onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een bij de aanvraag behorend rapport van 1 mei 2003, op het standpunt dat door de in voorschrift 3.1 opgenomen grenswaarden de zone en de MTG-waarden in acht worden genomen. Naar zijn mening biedt evengenoemd geluidrapport een juist en representatief beeld van de te verwachten geluidbelasting vanwege de inrichting. Hiertoe verwijst hij ook naar een tweetal metingen die in zijn opdracht zijn uitgevoerd door Cauberg-Huygen raadgevende ingenieurs B.V.

2.6.2. In het kader van onderhavige aanvraag zijn ter bepaling van de feitelijke geluidbelasting vanwege de inrichting diverse geluidrapporten opgesteld door Peutz, waaronder een rapport van 1 mei 2003. In dit rapport, dat aanvullende informatie bevat ten opzichte van het naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling opgestelde rapport van 10 januari 2003, is de (berekende) geluidbelasting ten gevolge van de inrichting na uitbreiding opgenomen uitgaande van het meest recente zonebewakingsmodel van de gemeente Meerlo-Wanssum.

De in de voorschrift 3.1 vastgelegde waarden komen overeen met de feitelijke geluidbelasting, zoals die blijkt uit het geluidrapport van 1 mei 2003, op de desbetreffende punten.

2.6.3. De Afdeling stelt voorop dat geen grond bestaat voor het oordeel, zoals appellanten sub 1 kennelijk beogen te stellen, dat niet volstaan kon worden met een beoordeling van de geluidbelasting op basis van een (standaard) rekenmethode maar uitsluitend met metingen.

2.6.4. Voorzover appellanten de uitgangspunten en uitkomsten van het akoestisch onderzoek in twijfel trekken, overweegt de Afdeling als volgt.

Blijkens de stukken is bij de bepaling van het bronniveau van de mobiele kraan 1 dB(A) afgetrokken vanwege reflectie van de containers. Anders dan appellant sub 2 acht de Afdeling, mede gelet op het deskundigenbericht, deze handelwijze om een zuiver bronvermogenniveau van de mobiele kraan te verkrijgen niet onjuist. Evenmin ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat in het akoestisch onderzoek wat de opstelling van de containers betreft een onderschatting van de geluidbelasting wordt weergegeven.

Voorts deelt de Afdeling niet de stelling van appellant sub 2 dat de toeslag voor tonaal geluid met betrekking tot de mobiele kraan verkeerd is toegepast. Op grond van de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999 wordt in geval van geluid met een tonaal karakter een toeslag van 5 dB toegepast voor dat deel van de beoordelingsperiode dat er sprake is van tonaal geluid. De toeslag heeft betrekking op het gemeten (of berekende) langtijdgemiddeld deelgeluidsniveau vanwege een bedrijfstoestand van de gehele inrichting, aldus de Handleiding. In de inrichting is gedurende zes uur per dag een mobiele kraan in bedrijf, waarvan 0,5 uur de lierenmotoren van de kraan onder vollast in bedrijf zijn en hoorbaar tonaal geluid veroorzaken. In het akoestisch onderzoek is uitgegaan van een toeslag van 5 dB voor de periode van 0,5 uur dat de kraan handelingen met een tonaal karakter verricht inclusief de overige gedurende die periode voorkomende werkzaamheden op het terrein van de inrichting. De Afdeling acht, gelet op het ter zake bepaalde in de Handleiding, geen termen aanwezig voor het oordeel dat de toeslag voor tonaal geluid van de mobiele kraan in het akoestisch onderzoek niet op correcte wijze in rekening is gebracht.

Voorzover appellant sub 2 stelt dat geen rekening is gehouden met het tonale karakter van de portaalkraan, overweegt de Afdeling dat deze kraan blijkens de stukken, anders dan de mobiele hijskraan, elektrisch is aangedreven. Niet is gebleken dat het tonale karakter van het geluid duidelijk hoorbaar is op de beoordelingspunten, zodat in het akoestisch onderzoek terecht geen toeslag voor tonaal geluid vanwege de portaalkraan in rekening is gebracht.

Ten aanzien van het betoog van appellant sub 2 dat ten onrechte geen toeslag voor impulsgeluid vanwege het neerzetten van containers is toegepast, overweegt de Afdeling – daargelaten of bij containerhandling sprake is van impulsgeluid – dat niet is gebleken van de onjuistheid van de stelling van Peutz in zijn brief van 8 maart 2004 dat de correctiefactor, gelet op de zeer korte duur en het beperkt voorkomen van de activiteit, niet in het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau tot uitdrukking komt. Overigens heeft verweerder blijkens de stukken de mogelijke geluidsstoten ten gevolge van de containerhandling als piekniveaus beschouwd, waarvoor in voorschrift 3.2 grenswaarden zijn gesteld.

Hetgeen appellanten verder nog hebben aangevoerd geeft de Afdeling, mede gelet op het deskundigenbericht, evenmin reden om aan te nemen dat de in het akoestisch onderzoek gehanteerde uitgangspunten niet representatief zijn voor de daadwerkelijke bedrijfssituatie en dat de onderzoeksresultaten in het rapport van 1 mei 2003 onjuist of onvolledig zijn.

2.6.5. Op grond van de stukken, waaronder het geluidrapport van 1 mei 2003, kan worden aangenomen dat de in voorschrift 3.1 gestelde grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau kunnen worden nageleefd, en dat daarmee de in artikel 8.8, derde lid, onder a, van de Wet milieubeheer genoemde waarden niet worden overschreden. Verweerder heeft voorts in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat het niet nodig is, zoals appellanten sub 1 verlangen, verdergaande strekkende voorschriften in de vergunning op te nemen.

2.6.6. Verweerder heeft bij het vaststellen van de grenswaarden voor de maximale geluidniveaus aansluiting gezocht bij de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening.

De Afdeling stelt vast dat de in de voorschrift 3.2 opgenomen grenswaarden vallen binnen de marges die in de Handreiking als maximaal aanvaardbaar worden aangemerkt, zodat verweerder deze waarden in redelijkheid toereikend heeft kunnen achten ter voorkoming dan wel voldoende beperking van geluidhinder. In het geluidrapport van Peutz van 1 mei 2003 wordt geconcludeerd dat aan de grenswaarden voor de maximale geluidniveaus kan worden voldaan. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat deze conclusie onjuist is.

2.7. Voorzover appellanten vrezen dat de vergunning niet zal worden nageleefd, overweegt de Afdeling dat dit een kwestie van handhaving van de vergunning betreft. De Algemene wet bestuursrecht in samenhang met de Wet milieubeheer voorziet in maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden.

2.8. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.M. van Angeren, Voorzitter, en mr. K. Brink en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Toorenburg-Bovenkerk, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Angeren w.g. Toorenburg-Bovenkerk

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2004

334.