Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO9986

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-05-2004
Datum publicatie
26-05-2004
Zaaknummer
200305929/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 juli 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (hierna: het college) met toepassing van artikel 19 Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) aan appellante vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van winkels, kantoor en buitenruimte op een locatie nabij Dorpsstraat 533 te Assendelft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200305929/1.

Datum uitspraak: 26 mei 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Vastgoed Herontwikkelings Management B.V. , gevestigd te Hoofddorp,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 22 juli 2003 in het geding tussen:

[wederpartij] te [plaats] en Coöp Codis Winkelbedrijven B.V. gevestigd te Arnhem en De WitKom@rt Supermarkten B.V. gevestigd te Beverwijk

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 juli 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (hierna: het college) met toepassing van artikel 19 Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) aan appellante vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van winkels, kantoor en buitenruimte op een locatie nabij Dorpsstraat 533 te Assendelft.

Bij besluit van 4 juli 2001 heeft het college de daartegen door [wederpartij] en Coöp Codis Winkelbedrijven B.V. en De WitKom@rt Supermarkten B.V. gemaakte bezwaren gegrond verklaard en voormeld besluit van 17 juli 2000 ingetrokken.

Bij besluit van 23 oktober 2002 (hierna: het bestreden besluit) heeft het college, met toepassing van artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), voormeld besluit van 4 juli 2001 als volgt gewijzigd: ‘ontvankelijkheid doch ongegrondheid van de bezwaarschriften. Het besluit van 17 juli 2000 blijft derhalve in stand met aanvulling van de motivering door een recent distributie-planologisch onderzoek’.

Bij uitspraak van 22 juli 2003, verzonden op 24 juli 2003, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) de daartegen door [wederpartij] en Coöp Codis Winkelbedrijven B.V. en De WitKom@rt Supermarkten B.V. ingestelde beroepen gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 3 september 2003, bij de Raad van State ingekomen op 5 september 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brieven van respectievelijk 8 december 2003 en 10 december 2003 hebben [wederpartij] en Coöp Codis Winkelbedrijven B.V. en De WitKom@rt Supermarkten B.V. van antwoord gediend.

Bij brief van 11 december 2003 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 maart 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door mr J. Hiemstra, advocaat te Delft, en het college, vertegenwoordigd door mr S.I. Hiemstra en H. Bommerson, beiden ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn [wederpartij] en Coöp Codis Winkelbedrijven B.V. en De WitKom@rt Supermarkten B.V., vertegenwoordigd door respectievelijk mr. W. Vink, advocaat te Utrecht, en mr. M.F.A. Dankbaar, advocaat te Haarlem, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan betreft de oprichting van een supermarkt (Plusmarkt), aangevuld met dagwinkels, te weten een slijterij (één winkelunit) en een drogisterij (twee winkelunits) op een locatie nabij Dorpsstraat 533 te Assendelft.

2.2. Het college heeft na de eerste beslissing op bezwaar van 4 juli 2001 nader distributie-planologisch onderzoek laten verrichten door Ecorys Research and Consulting (hierna: Ecorys). De resultaten daarvan zijn neergelegd in de “Structuurvisie retail-leisure gemeente Zaanstad” van Ecorys van 3 augustus 2001 (hierna: de structuurvisie) en het nader rapport van Ecorys van 25 januari 2002 inzake de beoogde vestiging van de Plusmarkt c.a. (hierna: het nader rapport). Op grond van hetgeen uit de structuurvisie en het nader rapport naar voren is gekomen, acht het college de toelaatbaarheid van de vestiging van de supermarkt en de winkels thans voldoende onderbouwd. Bij het bestreden besluit heeft het college daarom de bezwaren van [wederpartij] en Coöp Codis Winkelbedrijven B.V. en De WitKom@rt Supermarkten B.V. alsnog ongegrond verklaard.

2.3. Appellante heeft allereerst betoogd dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het planologisch kader waarop het college bij het verlenen van de vrijstelling en de bouwvergunning hebben geanticipeerd van onvoldoende gewicht is om de inbreuk op het geldende planologische regime te rechtvaardigen.

2.3.1. Dit betoog slaagt. Ter plaatse van het voorste gedeelte van het bouwplan geldt het bestemmingsplan in onderdelen “Centrum” van de voormalige gemeente Assendelft. Ter plaatse van het achterste gedeelte van het bouwplan geldt het bestemmingsplan “Assendelft Centrum V Zaanstad”. Voor het resterende deel geldt geen bestemmingsplan. Ingevolge deze plannen is de grond bestemd voor “Bijzondere doeleinden klasse C, met bijbehorende erven”, onderscheidenlijk “Bijzondere doeleinden” en “Recreatieve doeleinden I”. Ingevolge de planvoorschriften is aldaar toegestaan de bouw van gebouwen van bijzondere aard (zoals scholen, kerken, verenigingsgebouwen, gebouwen voor sociale en culturele doeleinden en horecabedrijven) met daarbij behorende bijgebouwen, dienstwoningen en andere bouwwerken en de aanleg van tuinen en speelterreinen, onderscheidenlijk gebouwen van bijzondere aard, zoals verenigingsgebouwen, gebouwen voor sociale en culturele doeleinden, voor horecabedrijven met bijbehorende bijgebouwen, alsmede de aanleg van tuinen, gazons, terrassen, in- en uitritten, speelterreinen en parkeerverhardingen, onderscheidenlijk georganiseerd en niet- georganiseerde sportparkbeoefening, met de daarbij behorende parkeerplaatsen en andere verhardingen, park, oeverstroken en andere groenvoorzieningen, waterpartijen, alsmede een woonwagencentrum en sociaal culturele doeleinden.

2.3.2. De Afdeling deelt niet het oordeel van de rechtbank dat de beoogde supermarkt een belangrijke inbreuk betekent op de bestaande planologische situatie, maar is van oordeel dat zij moet worden aangemerkt als een geringe inbreuk op die situatie. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat ter plaatse bebouwing is toegestaan van gelijke omvang als de beoogde supermarkt, ten behoeve van sociale- en culturele doeleinden en horecabedrijven. Gelijk appellante heeft betoogd betreffen deze doeleinden – evenals de supermarkt - publiektrekkers. Bovendien bevond zich tegenover de locatie waar de supermarkt met winkels is voorzien tot voor enige tijd een vestiging van de supermarkt Garantmarkt met daarbij een slijterij. De exploitant van deze inmiddels gesloten supermarkt wil de beoogde Plusmarkt exploiteren. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is voorts gebleken dat vanuit stedenbouwkundig oogpunt de vestiging van de supermarkt met de winkels aan de noordzijde van de langgerekte Dorpsstraat een bijdrage levert aan en een versterking betekent van de lintstructuur van het dorp, waarin is beoogd een spreiding van voorzieningen, die zich met name richten op het dagelijks aanbod. De supermarkt voorziet in dat aanbod. De vestiging van de supermarkt aan de noordzijde vormt bovendien een goede verbinding tussen de nieuwe in aanbouw zijnde wijk Saendelft en Assendelft. Het toekomstig planologisch kader kan worden gevonden in een door de raad der gemeente Zaanstad met het oog op de verwezenlijking van het betrokken bouwplan op 12 september 2002 genomen voorbereidingsbesluit, in het streekplan “Amsterdam-Noordzeekanaalgebied”, waarin het betrokken gebied is aangeduid als “woonfunctie (bestaand/toekomstig)” en de structuurschets Zaanstad 2005”, waarin het betrokken gebied is aangeduid als “bestaand stedelijk gebied”. De Afdeling acht dit toekomstig planologisch kader bij een inbreuk op de planologische situatie als hier aan de orde voldoende.

2.4. Ook heeft appellante terecht betoogd dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het standpunt van het college dat de beoogde vestiging van de Plusmarkt met winkels niet leidt tot een duurzame ontwrichting van het in het verzorgingsgebied aanwezige voorzieningenpatroon in de betrokken sector, in onvoldoende mate wordt ondersteund door de rapporten en de overige stukken. In deze rapporten wordt immers geconcludeerd dat de marktruimte door de vestiging van de Plusmarkt met winkels weliswaar wordt overschreden, maar dat dit niet leidt tot ontwrichting in de distributieve sector. Ook anderszins is daarvan niet gebleken.

2.5. Het college heeft [wederpartij] en Coöp Codis Winkelbedrijven B.V. en De WitKom@rt Supermarkten B.V. niet in de gelegenheid gesteld om over de structuurvisie en het nader rapport te worden gehoord. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat hij daartoe niet was gehouden, omdat het hier gaat om een besluit als bedoeld in artikel 6:18 van de Awb.

2.5.1. Het betoog van appellante dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld, dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd omdat [wederpartij] en Coöp Codis Winkelbedrijven B.V. en De WitKom@rt Supermarkten B.V. niet in de gelegenheid zijn gesteld te worden gehoord, faalt. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat, nu de structuurvisie en het nader rapport nadere gegevens bevatten die van aanmerkelijk belang waren voor de bij de nieuw genomen beslissing geheel gewijzigde uitkomst, het college was gehouden om [wederpartij] en Coöp Codis Winkelbedrijven B.V. en De WitKom@rt Supermarkten B.V. in de gelegenheid te stellen daarover te worden gehoord. Het betoog van appellante dat dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb kan worden gepasseerd, faalt eveneens, reeds omdat niet kan worden gezegd dat [wederpartij] en Coöp Codis Winkelbedrijven B.V. en De WitKom@rt Supermarkten B.V. door de schending van de hoorplicht niet zijn benadeeld. De bezwaren waren aanvankelijk immers gegrond verklaard en bij het bestreden besluit zijn de bezwaren alsnog ongegrond verklaard.

2.5.2. De Afdeling is evenwel van oordeel dat er in dit stadium van de procedure reden is om, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, in samenhang met artikel 6:24, eerste lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Daarbij is in aanmerking genomen dat het bestreden besluit, gelet op het voorgaande, wat de inhoud betreft de rechterlijke toets kan doorstaan. Bovendien zijn [wederpartij] en Coöp Codis Winkelbedrijven B.V. en De WitKom@rt Supermarkten B.V. in de beroepfase en hoger-beroepfase in de gelegenheid gesteld hun zienswijze – ook ten aanzien van de structuurvisie en het nader rapport - naar voren te brengen, van welke gelegenheid zij ook gebruik hebben gemaakt. Zij hebben in reactie op de structuurvisie en het nader rapport in deze fase van de procedure geen stukken overgelegd die een ander licht op de zaak werpen.

2.6. De Afdeling zal derhalve de aangevallen uitspraak vernietigen voor zover daarbij geen toepassing is gegeven aan artikel 8:72, derde lid, van de Awb en alsnog tot die toepassing overgaan. Ook voor het overige is het hoger beroep gegrond. Nu het dictum van de aangevallen uitspraak verder juist is, aangezien de rechtbank het bestreden besluit terecht heeft vernietigd, dient zij voor het overige, met verbetering van de gronden waarop zij rust, te worden bevestigd.

2.7. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 22 juli 2003, voor zover daarbij niet is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad van 23 oktober 2002 geheel in stand blijven;

IV. bevestigt de aangevallen uitspraak, met verbetering van de gronden waarop zij rust, voor het overige;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad in de door appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de gemeente Zaanstad te worden betaald aan appellante;

VI. gelast dat de gemeente Zaanstad aan appellante het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 175,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. F.P. Zwart, Voorzitter, en mr. B.J. van Ettekoven en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, ambtenaar van Staat.

w.g. Zwart w.g. Ouwehand

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2004

224.