Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO9984

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-05-2004
Datum publicatie
26-05-2004
Zaaknummer
200305777/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 mei 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) verleend voor het uitbreiden en verbouwen van een kantoorvilla op het perceel [locatie a] te Eindhoven. In dat besluit is tevens de mededeling vervat dat aan [vergunninghoudster] van rechtswege bouwvergunning is verleend ingevolge op artikel 49, derde lid, van de Woningwet.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Woningwet
Woningwet 49
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/22
AB 2004, 250

Uitspraak

200305777/1.

Datum uitspraak: 26 mei 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. [appellant sub 1], wonend te Eindhoven,

2. Stichting Diagnostisch Centrum Eindhoven, gevestigd te Eindhoven,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 18 juli 2003 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 mei 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) verleend voor het uitbreiden en verbouwen van een kantoorvilla op het perceel [locatie a] te Eindhoven. In dat besluit is tevens de mededeling vervat dat aan [vergunninghoudster] van rechtswege bouwvergunning is verleend ingevolge op artikel 49, derde lid, van de Woningwet.

Bij besluit van 14 maart 2003 heeft het college de daartegen door appellanten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 juli 2003, verzonden op die dag, heeft de rechtbank

's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) de daartegen door appellanten afzonderlijk ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten gezamenlijk bij brief van 28 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 10 september 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 18 december 2003 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 april 2004, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. T.I.P. Jeltema, advocaat te Veldhoven, en het college, vertegenwoordigd door mr. L.A. Sluiter, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn daar gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door haar [directeur], bijgestaan door mr. P.W.M. Dorn, advocaat te Geldrop, [partij] en het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, vertegenwoordigd door J.V. Nefkens, ambtenaar van de provincie.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in de verbouwing en uitbreiding van een bestaande kantoorvilla op het perceel [locatie a], doordat kantoorruimte wordt toegevoegd die is voorzien op het perceel [locatie b].

2.2. Op de gronden waarop het bouwplan is gesitueerd rust ingevolge het ter plaatse geldende (globale) bestemmingsplan “Eindhoven binnen de Ring” de bestemming “Woondoeleinden”, op de plankaart nader aangeduid met “verweving wonen-kantoren”. Het bouwplan is in strijd met dit bestemmingsplan, omdat ingevolge artikel 23, eerste lid, van de planvoorschriften uitsluitend mag worden gebouwd in overeenstemming met een uitwerkingsplan dat in werking is getreden en een dergelijk uitwerkingsplan niet voor handen is.

2.3. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO, voorzover hier van belang, kan het college vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, vereist is.

2.4. Gedeputeerde staten van Noord-Brabant hebben bij brief van 19 december 2000, verzonden op 22 december 2000, bekendgemaakt dat zij, met toepassing van het bepaalde in artikel 19, tweede lid, van de WRO, en overeenkomstig het verzoek van het college, zijn overgegaan tot een categorie-aanwijzing van tien met name genoemde en binnen de gemeente Eindhoven geldende bestemmingsplannen, waaronder het bestemmingsplan “Eindhoven binnen de Ring”. Ingevolge deze aanwijzing kan het college zonder voorafgaande verklaring van geen bezwaar vrijstelling verlenen voor initiatieven, mits wordt voldaan aan een achttal nader genoemde voorwaarden. Eén van die voorwaarden is dat bij het verlenen van vrijstelling per perceel maximale bebouwingspercentages van 65 in woonwijken en 75 op bedrijfsterreinen in acht genomen dienen te worden.

2.5. In hoger beroep is uitsluitend in geschil of de rechtbank in dit verband met juistheid heeft overwogen dat het college bij de beantwoording van de vraag of aan deze voorwaarde wordt voldaan, de twee kadastrale percelen [locatie a en b] terecht heeft aangemerkt als één geheel. Indien dat niet het geval zou zijn zou namelijk het bebouwingspercentage van 65 worden overschreden.

2.6. Gelet op de bedoeling van voormelde voorwaarde, heeft de rechtbank terecht de uitleg van het college van het daarin voorkomende begrip “perceel” als “bouwperceel”, zoals omschreven in artikel 1 van de voorschriften van het bestemmingsplan “Eindhoven binnen de Ring”, als juist aanvaard. Volgens het bepaalde onder i van dat artikel moet onder bouwperceel worden verstaan: een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het plan bebouwing is toegestaan.

2.7. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 7 november 2001 in zaak no. 200003919/1 (BR 2002/406) is bij de vaststelling van de omvang van het bouwperceel de actuele situatie bepalend. In beginsel dient te worden uitgegaan van het kadastrale perceel waarop het bouwplan zal worden gerealiseerd. In dit geval heeft de rechtbank terecht en op goede gronden geoordeeld dat, hoewel het bouwplan is voorzien op twee kadastrale percelen, deze percelen zijn aan te merken als één bouwperceel. De aan elkaar grenzende percelen [locatie a en b] zijn eigendom van [vergunninghoudster]., respectievelijk [directeur]], blijkens de overgelegde uitreksels uit het handelsregister van de kamer van Koophandel en Fabrieken van Oost-Brabant zelfstandig bevoegd directeur zowel van genoemde B.V., alsook van de enige aandeelhouder van die B.V., te weten de [besloten vennootschap]. Derhalve kan kadastrale samenvoeging van de percelen eenvoudig worden bewerkstelligd. Voor de vraag of sprake is van één bouwperceel zoals omschreven in voormeld artikel 1, aanhef en onder i, is tevens van belang of het daarop geprojecteerde bouwplan voorziet in bij elkaar behorende bebouwing. Juist die samenhang leidt ertoe dat de twee kadastrale percelen in ruimtelijke zin als één geheel kunnen worden aangemerkt. In dit geval is daarvan sprake omdat het bouwplan voorziet in een kantoorcomplex met een gezamenlijke entree, gemeenschappelijke voorzieningen en een op beide kadastrale percelen gelegen gezamenlijke parkeerkelder die slechts via het perceel [locatie a] per auto bereikbaar is.

De rechtbank is dan ook tot het juiste oordeel is gekomen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan een bebouwingspercentage van 65 niet overschrijdt zodat is voldaan aan de in dit geding aan de orde zijnde voorwaarde voor toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO.

2.8. Het hoger is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Wilbers-Taselaar

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2004

71-412.