Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO9976

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-05-2004
Datum publicatie
26-05-2004
Zaaknummer
200305049/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van respectievelijk 5 november 2000, 17 november 2000, 30 november 2000 en 19 juni 2001 hebben de examinatoren van de Faculteit Natuurwetenschappen, Wiskunde en Informatica van de Universiteit van Amsterdam aan appellant sub 1 medegedeeld dat hij voor de tentamens van de vakken procesanalyse en chemometrie, numerieke technieken, CFD simulatie en procesdynamica geen voldoende heeft gehaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200305049/1.

Datum uitspraak: 26 mei 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. het College van beroep voor de examens van de Universiteit van Amsterdam

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 juni 2003 in het geding tussen:

appellant sub 1

en

appellant sub 2.

1. Procesverloop

Bij besluiten van respectievelijk 5 november 2000, 17 november 2000, 30 november 2000 en 19 juni 2001 hebben de examinatoren van de Faculteit Natuurwetenschappen, Wiskunde en Informatica van de Universiteit van Amsterdam aan appellant sub 1 medegedeeld dat hij voor de tentamens van de vakken procesanalyse en chemometrie, numerieke technieken, CFD simulatie en procesdynamica geen voldoende heeft gehaald.

Bij besluit van 11 september 2002 heeft appellant sub 2 (hierna: het College van beroep) het daartegen door appellant sub 1 ingestelde administratief beroep, voorzover dit is gericht tegen de uitslagen van de vakken procesanalyse en chemometrie, numerieke technieken en CFD simulatie, niet-ontvankelijk verklaard en het door appellant sub 1 ingestelde administratief beroep tegen de uitslag van het vak procesdynamica ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 juni 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door appellant sub 1 ingestelde beroep tegen het uitblijven van een besluit van het College van beroep niet-ontvankelijk verklaard, het College van beroep veroordeeld in de proceskosten van appellant sub 1 en het door appellant sub 1 ingestelde beroep tegen het besluit van 11 september 2002 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellant sub 1 bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 juli 2003, en het College van beroep bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 augustus 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 24 augustus 2003 heeft appellant sub 1 van antwoord gediend op het hoger beroep van het College van beroep.

Bij brief van 21 oktober 2003 heeft het College van beroep van antwoord gediend op het hoger beroep van appellant sub 1.

Bij brieven van respectievelijk 8 oktober 2003, 4 en 5 november 2003 heeft appellant sub 1 nadere stukken ingediend. Deze zijn in kopie aan het College van beroep toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 april 2004, waar appellant sub 1 in persoon en het College van beroep, vertegenwoordigd door mr. B.K. Olivier en mr. P.M.C. Berkhoff, voorzitter respectievelijk secretaris van het College van beroep, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het hoger beroep van het College van beroep richt zich slechts tegen de uitspraak van de rechtbank, voorzover daarbij het College van beroep is veroordeeld in de door appellant sub 1 gemaakte proceskosten in verband met het uitblijven van een beslissing op zijn administratief beroep. Het College van beroep voert hiertoe aan dat appellant sub 1 geen proceskosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen, nu hij in de procedure niet is bijgestaan door een beroepsmatige rechtsbijstandverlener.

2.1.1. Dit betoog slaagt. Uit de stukken blijkt dat, hetgeen desgevraagd door appellant sub 1 ter zitting is bevestigd, appellant sub 1 in de procedure niet is bijgestaan door een beroepsmatige rechtsbijstandverlener. Ook overigens is gesteld noch gebleken dat appellant sub 1 kosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking kwamen. Het hoger beroep van het College van beroep is derhalve gegrond. De aangevallen uitspraak dient, voorzover het College van beroep is veroordeeld in de door appellant sub 1 gemaakte proceskosten, te worden vernietigd.

2.2. Appellant sub 1 kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat zijn beroep tegen het besluit van het College van beroep van 11 september 2002 ongegrond is. Hij heeft in hoger beroep – zakelijk samengevat - aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat de examinatoren en het College van beroep bindende toezeggingen hebben gedaan met betrekking tot het overschrijden van de termijn voor het indienen van administratief beroep. Appellant sub 1 is bovendien van mening dat hij te hard wordt gestraft voor deze omissie. De rechtbank heeft voorts ten onrechte overwogen dat sprake is geweest van een poging om tot een minnelijk schikking te komen, hiervan was volgens appellant sub 1 geenszins sprake.

Hij heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat zijn antwoorden allemaal juist waren en dat iedere deskundige dat kan vaststellen, hetgeen aldus appellant sub 1 ertoe leidt dat aan artikel 7:61, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: de WHW) is voldaan. Appellant sub 1 wenst dan ook dat zijn antwoorden aan een onafhankelijke deskundige worden voorgelegd. Volgens hem is de inhoud van de verslagen van de hoorzitting met opzet in zijn nadeel gewijzigd door het College van beroep. Er is aldus appellant sub 1 dan ook sprake van misleiding door het College van beroep. Ten slotte wenst appellant sub 1 een schadevergoeding te ontvangen.

2.3. Ingevolge artikel 7.61, eerste lid, aanhef en onder f, van de WHW kan een betrokkene tegen beslissingen van examencommissies en examinatoren beroep instellen bij het College van beroep voor de examens.

Ingevolge artikel 7.61, tweede lid, van de WHW kan het beroep, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van hoofdstuk 7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), worden ingesteld terzake dat een beslissing in strijd is met het recht.

Ingevolge artikel 7.61, zesde lid, van de WHW vernietigt het College van beroep - indien het het beroep gegrond acht - de beslissing geheel of gedeeltelijk. Het College is niet bevoegd in de plaats van de geheel of gedeeltelijk vernietigde beslissing een nieuwe beslissing te nemen, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van artikel 7:25 van de Awb. Het kan bepalen dat opnieuw of, indien de beslissing is geweigerd, alsnog in de zaak wordt beslist, dan wel dat het tentamen, het examen, het toelatingsonderzoek, het aanvullend onderzoek of enig onderdeel daarvan opnieuw wordt afgenomen onder door het College van beroep te stellen voorwaarden. Het orgaan waarvan de beslissing is vernietigd, voorziet voorzover nodig opnieuw in de zaak met inachtneming van de uitspraak van het College van beroep. Het College van beroep kan daarvoor in zijn uitspraak een termijn stellen.

2.4. Op grond van artikel 7.61, eerste lid, aanhef en onder f, gelezen in samenhang met het tweede lid, van de WHW kan tegen een beslissing van een examinator, inhoudende een beoordeling van een door een student afgelegd tentamen slechts administratief beroep bij het College van beroep worden ingesteld, terzake dat de beslissing in strijd is met het recht. Door het College van beroep dient te worden getoetst of het besluit in strijd is met enig algemeen verbindend voorschrift of in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur en of de examinator bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de beslissing heeft kunnen komen. Volgens vaste jurisprudentie (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 april 1999 in zaak no. H01.98.1190, AB 1999, 231) staat tegen de door het College van beroep in administratief beroep genomen beslissing beroep op de bestuursrechter open.

2.5. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 13 maart 2002, in zaak no. 200103751/1, AB 2002, 348 en JB 2002/142, laat artikel 7.61 van de WHW onverlet dat de toetsing door de bestuursrechter van de beslissing van het College van beroep beperkt moet zijn. Op grond van artikel 8:4, aanhef en onder e, van de Awb kan immers geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld tegen besluiten, inhoudende een beoordeling van het kennen en kunnen van een kandidaat of leerling die ter zake is geëxamineerd of op enigerlei andere wijze is getoetst, dan wel inhoudende de vaststelling van opgaven, beoordelingsnormen of nadere regels voor die examinering of toetsing. Deze bepaling staat eraan in de weg, dat door het instellen van beroep tegen een in administratief beroep genomen beslissing van het College van beroep een oordeel van de bestuursrechter wordt verkregen over een besluit dat als zodanig van de bestuursrechtelijke rechtsbeschermingsweg is uitgezonderd. Dit betekent dat - wat betreft het aan de beslissing op administratief beroep ten grondslag liggende besluit van de examinator - door de bestuursrechter slechts kan worden beoordeeld of het College van beroep zich al dan niet terecht op het standpunt heeft gesteld dat aan de formele voorschriften die bij of krachtens de Awb, de WHW of enige andere wet in formele zin zijn gesteld, is voldaan. De toetsing door de Afdeling kan niet rechtstreeks betrekking hebben op de inhoud van het werk van appellant sub 1. In het licht van het voorgaande kan de Afdeling dan ook niet ingaan op het verzoek van appellant sub 1 om een onafhankelijke deskundige aan te wijzen om zijn werk te laten (her)beoordelen.

2.6. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat het College van beroep terecht de administratieve beroepen van appellant sub 1 niet-ontvankelijk heeft verklaard voorzover het de vakken procesanalyse en chemometrie, numerieke technieken en CFD simulatie betreft, nu hij terzake niet tijdig administratief beroep heeft ingesteld. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden, ook niet met betrekking tot mogelijke toezeggingen van examinatoren of (leden van) het College van beroep, op grond waarvan een niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens termijnoverschrijding achterwege had moeten blijven.

Gelet op hetgeen appellant sub 1 in hoger beroep heeft aangevoerd - althans voorzover dit bij de beoordeling kan worden betrokken - en het hiervoor weergegeven beperkte toetsingskader in aanmerking nemende, kan, zoals de rechtbank ook heeft overwogen, niet worden geoordeeld dat het College van beroep zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het besluit van 19 juni 2001 met betrekking tot het vak procesdynamica niet in strijd is met het recht. Het bestreden besluit van 11 september 2002 kan in stand blijven. Appellant sub 1 heeft niet aannemelijk gemaakt dat de integriteit of deskundigheid van de examinatoren in twijfel dient te worden getrokken. Voorzover appellant sub 1 heeft betoogd dat het College van beroep onzorgvuldig heeft gehandeld en de rechtbank heeft misleid, wordt overwogen dat hetgeen appellant sub 1 terzake heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de handelwijze van het College van beroep niet in overeenstemming is met in de Awb neergelegde of in het algemeen rechtsbewustzijn levende normen voor bestuurshandelen dan wel dat door het College van beroep in strijd met de in de WHW neergelegde procedurevoorschriften is gehandeld.

Met betrekking tot het herhaalde verzoek om schadevergoeding wordt overwogen dat schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb alleen bij een gegrondverklaring van het beroep kan worden toegewezen. Nu het beroep van appellant sub 1 terecht ongegrond is verklaard, komt hem geen geslaagd beroep op artikel 8:73 van de Awb toe.

2.7. Het hoger beroep van appellant sub 1 is dan ook ongegrond. Voorzover de aangevallen uitspraak betrekking heeft op het besluit van het College van beroep van 11 september 2002, dient deze dan ook te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van het College van beroep voor de examens van de Universiteit van Amsterdam gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 juni 2003, AWB 02/4016 BESLU, voorzover daarbij het College van beroep voor de examens van de Universiteit van Amsterdam is veroordeeld in de door [appellant sub 1] in beroep gemaakte proceskosten;

III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. B.J. van Ettekoven en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Dallinga

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2004

18-421.