Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO9973

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-05-2004
Datum publicatie
25-05-2004
Zaaknummer
200402810/1 en 200402810/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 augustus 2003, kenmerk NL 107071, heeft verweerder bezwaar gemaakt tegen het voornemen van appellante om 500.000 kilogram indampresidu op grond van de Verordening 259/93/EEG van 1 februari 1993, betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en vanuit de Europese Gemeenschap (hierna: de Verordening) uit te voeren naar België.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2004/38 met annotatie van Van der Meijden

Uitspraak

200402810/1 en 200402810/2.

Datum uitspraak: 19 mei 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "De Gentenaar Cleaning Moerdijk B.V.", gevestigd te Moerdijk,

appellante,

en

de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 augustus 2003, kenmerk NL 107071, heeft verweerder bezwaar gemaakt tegen het voornemen van appellante om 500.000 kilogram indampresidu op grond van de Verordening 259/93/EEG van 1 februari 1993, betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en vanuit de Europese Gemeenschap (hierna: de Verordening) uit te voeren naar België.

Bij besluit van 20 februari 2004, kenmerk IMA 2004-1370, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 2 april 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Bij deze brief heeft appellante de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 april 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. D.R.M.F. Aerts, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. R. Ahraoui en ing. C.P. den Herder, ambtenaren van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, zijn verschenen.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. Appellante heeft kennisgeving gedaan voornemens te zijn van 27 mei 2003 tot en met 26 mei 2004 500.000 kilogram indampresidu over te brengen naar Recyfuel S.A. te Engis in België. De verwerkingswijze van deze afvalstoffen is op het kennisgevingsformulier met kenmerk NL 107071 aangemerkt als een handeling van nuttige toepassing als bedoeld in de bij de Richtlijn 75/442/EEG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 91/156/EEG (hierna te noemen: de Richtlijn) behorende bijlage IIB, categorie R1 (hoofdgebruik als brandstof of een andere wijze van energieopwekking).

2.2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn primaire besluit van 1 augustus 2003, waarbij hij bezwaar heeft gemaakt tegen de onderhavige overbrenging wegens een onjuiste indeling op het kennisgevingsformulier, gehandhaafd. Verweerder betoogt dat in de kennisgeving het doel van de overbrenging van de afvalstoffen ten onrechte als een handeling van nuttige toepassing is aangemerkt. Volgens hem is er sprake van een handeling van verwijdering. Verweerder voert hiertoe aan dat geen toestemming kan worden verleend voor de overbrenging van het indampresidu, omdat bij Recyfuel gevaarlijke afvalstoffen worden gemengd die de maximaal toegestane concentraties van cadmium en PCB’s overschrijden. Verder is verweerder van mening dat in het onderhavige geval het merendeel van de over te brengen afvalstof niet wordt verbrand, nu deze afvalstof op het moment van de overbrenging voor circa 43% uit organisch materiaal en voor ongeveer 57% uit anorganisch materiaal (water) bestaat. Van hoofdgebruik als brandstof kan derhalve geen sprake zijn, aldus verweerder.

2.3. Appellante bestrijdt dat er sprake is van een verwijderingshandeling. Zij betoogt dat het over te brengen indampresidu bij Recyfuel wordt gemengd met zaagmeel alvorens als brandstof te worden ingezet in de cementindustrie. De voorbehandeling, het mengen, maakt volgens appellante onderdeel uit van de handeling van nuttige toepassing die met deze afvalstoffen wordt beoogd, te weten hoofdgebruik als brandstof. Zij voert daarbij aan dat het indampresidu, na voorbehandeling, integraal als brandstof, die voldoet aan de acceptatiecriteria van de cementindustrie, kan worden aangewend. Omdat uiteindelijk 100% van het indampresidu wordt ingezet als brandstof is er volgens appellante sprake van een volledige nuttige toepassing. Het watergehalte van een afvalstof acht appellante niet bepalend bij de beoordeling of sprake is van hoofdgebruik als brandstof. Voorts stelt appellante dat, in tegenstelling tot de vermelding op het kennisgevingsformulier, er sprake is van een handeling van nuttige toepassing als bedoeld in bijlage IIB, categorie R12 (uitwisseling van afvalstoffen voor een van de onder R1 tot en met R11 genoemde handelingen), van de Richtlijn. Dat het indampresidu te veel gevaarlijke stoffen bevat, maakt het vorenstaande niet anders, aldus appellante.

2.4. Het Hof heeft in zijn arrest van 3 april 2003 in de zaak C-116/01 voor recht verklaard dat in het geval een verwerkingsproces van afvalstoffen uit meerdere fasen bestaat, voor de toepassing van de Verordening, de kwalificatie als verwijderingshandeling of als nuttige toepassing in de zin van de Richtlijn moet geschieden door alleen rekening te houden met de eerste handeling die de afvalstoffen na hun overbrenging moeten ondergaan.

Het Hof heeft in zijn arrest van 27 februari 2002 in de zaak C-6/00 en in zijn beschikking van 27 februari 2003 in de gevoegde zaken C-307/00 tot en met C-311/00 voor recht verklaard dat, teneinde te bepalen of het gaat om een verwijderingshandeling of om een handeling van nuttige toepassing in de zin van de Richtlijn, van geval tot geval moet worden nagegaan of het belangrijkste doel van de betrokken handeling is, dat de afvalstoffen een nuttige functie kunnen vervullen doordat zij in de plaats komen van andere materialen die anders voor deze functie hadden moeten worden gebruikt, in welk geval de handeling als een nuttige toepassing moet worden aangemerkt.

2.5. Uit het kennisgevingsformulier volgt dat de onderhavige afvalstoffen, 500.000 kilogram indampresidu, door appellante worden overgebracht naar Recyfuel te België. Voor de beantwoording van de vraag of er in het onderhavige geval sprake is van een verwijderingshandeling dan wel een handeling van nuttige toepassing is naar het oordeel van de Voorzitter de handeling die de afvalstoffen direct na overbrenging bij Recyfuel ondergaan, van belang. Blijkens de stukken wordt het indampresidu na overbrenging bij Recyfuel vermengd met zaagmeel. Het ontstane mengsel kan vervolgens elders worden ingezet in de cementindustrie als brandstof voor cementovens en als grondstof ten behoeve van de fabricage van klinker (een grondstof voor cement). Nu blijkens de kennisgeving ter beoordeling staat de handeling van het indampresidu bij Recyfuel en deze handeling, gezien het voorgaande, slechts bestaat uit het mengen van de afvalstoffen met zaagmeel, is de Voorzitter van oordeel dat de over te brengen afvalstoffen als zodanig bij Recyfuel niet nuttig worden toegepast. Dat het ontstane mengsel vervolgens van Recyfuel naar de cementindustrie wordt overgebracht om aldaar te worden ingezet als brandstof, hetgeen mogelijk als een handeling van nuttige toepassing kan worden aangemerkt, doet aan het voorgaande niet af. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder terecht bezwaar gemaakt tegen de overbrenging op grond van een onjuiste indeling op het kennisgevingsformulier. De beroepsgrond treft geen doel.

2.6. De Voorzitter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en dat ook overigens geen beletsel bestaat om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.7. Het beroep is ongegrond.

2.8. Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep ongegrond;

II. wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Montagne

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2004

374.