Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO9972

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-05-2004
Datum publicatie
26-05-2004
Zaaknummer
200304981/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 september 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zundert (hierna: het college) geweigerd aan appellant bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een recreatiewoning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200304981/1.

Datum uitspraak: 26 mei 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 1 juli 2003 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zundert.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 september 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zundert (hierna: het college) geweigerd aan appellant bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een recreatiewoning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 28 mei 2002 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de door hem gevraagde vergunning alsnog verleend.

Bij uitspraak van 1 juli 2003, verzonden op 3 juli 2003, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 28 mei 2002 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op het bezwaarschrift te nemen met inachtneming van die uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 25 juli 2003, bij de Raad van State ingekomen op 29 juli 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brieven van 18 augustus en 4 september 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 17 oktober 2003 heeft het college van antwoord gediend.

Bij besluit van 17 februari 2004 heeft het college een nieuwe beslissing op bezwaar genomen en het bezwaar gedeeltelijk gegrond en voor het overige ongegrond verklaard.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 maart 2004, waar appellant in persoon en het college, vertegenwoordigd door A. Coppens, ambtenaar van de gemeente, bijgestaan door mr. B.J.P.G. Roozendaal, advocaat te Breda, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) moet onder een besluit, als bedoeld in artikel 6:18, eerste lid, van de Awb ook worden verstaan een nieuwe beslissing op bezwaar, die wordt genomen terwijl hoger beroep aanhangig is tegen de uitspraak waarbij de oorspronkelijke beslissing op bezwaar is vernietigd. Het nieuwe besluit van 17 februari 2004 moet derhalve worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 6:18 van de Awb, zodat het hoger beroep van appellant ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb moet worden geacht mede gericht te zijn tegen dit besluit.

2.2. Appellant betoogt dat de rechtbank [wederpartij] ten onrechte ontvangen heeft in zijn beroep, nu hij geen procesbelang meer had bij vernietiging van de in de beslissing op bezwaar alsnog verleende bouwvergunning.

2.3. Dit betoog faalt.

[wederpartij] had belang bij een oordeel van de rechtbank over de aan appellant verleende bouwvergunning, omdat hij zelf ook een bouwaanvraag voor een recreatiewoning had ingediend en ingevolge het bestemmingsplan nog slechts één woning was toegestaan. Dat het beroep van [wederpartij] tegen de in beslissing op bezwaar geweigerde bouwvergunning voor zijn eigen recreatiewoning door de rechtbank ongegrond is verklaard, betekent niet dat daarmee het procesbelang van [wederpartij] bij een rechterlijk oordeel over de aan appellant verleende bouwvergunning is komen te vervallen. Dat de beslissing op een nieuwe bouwaanvraag zou moeten worden aangehouden, omdat een nieuw bestemmingsplan in procedure is, maakt dit niet anders.

2.4. Ingevolge het bestemmingsplan “Buitengebied” rust op het perceel de bestemming “Recreatief-woonbos”.

Op grond van artikel 17, lid A, aanhef en onder 2, van de planvoorschriften mogen op de als zodanig bestemde gronden uitsluitend zomerhuizen met bijbehorende bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, onder de voorwaarde dat binnen het bestemmingsplan niet meer dan 54 woningen mogen worden gebouwd.

Op grond van artikel 17, lid A, aanhef en onder 4 en 9, gelden ten aanzien van het bebouwde oppervlak de volgende voorwaarden:

4. de oppervlakte van een woning, een bijgebouw niet meegerekend, mag ten hoogste 45 m2 bedragen;

9. bij elke woning mag niet meer dan één bijgebouw worden gebouwd met een oppervlak van ten hoogste 15 m2.

Op grond van artikel 38, lid A, aanhef en onder 2, zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van de voorgeschreven minimum- en maximummaten, mits deze met niet meer dan 10% worden veranderd.

2.5. Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het bouwplan in strijd is met artikel 17, lid A, aanhef en onder 4 van de planvoorschriften. De op de bouwtekening als berging aangeduide ruimte 1.7 is volgens hem aan te merken als een bijgebouw en mag derhalve niet worden meegerekend bij de oppervlakte voor de woning, zoals de rechtbank heeft gedaan.

2.6. Ook dit betoog faalt.

Bij het ontbreken van een definitie van het begrip “bijgebouw” in de planvoorschriften moet worden aangesloten bij de vaste rechtspraak van de Afdeling over dit begrip. Nu de betreffende inpandige berging niet is aan te merken als een afzonderlijk gebouw dat in functioneel opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw en daarvan bouwkundig niet is te onderscheiden, dient deze, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, te worden meegeteld bij de berekening van de oppervlakte van de woning.

Hieraan kan niet afdoen dat uit een artikelsgewijze toelichting bij de meetvoorschriften volgens appellant zou kunnen worden opgemaakt dat inpandige bergingen bij de berekening van de oppervlakte van een woning niet behoeven te worden meegeteld. Deze uitleg verdraagt zich niet met artikel 17, lid A, aanhef en onder 4, van de planvoorschriften, volgens welke bepaling slechts bijgebouwen voor de berekening van de oppervlakte van de woning worden uitgezonderd. De toelichting bij een bestemmingsplan vermag geen wijziging te brengen in hetgeen uit de voorschriften volgt.

Dat het in de gemeente Zundert vaste praktijk zou zijn om in verband met deze toelichting bij de bepaling van de oppervlakte van de woning inpandige bergingen niet mee te tellen kan niet leiden tot verlening van een bouwvergunning in strijd met de Woningwet.

Het vorenstaande leidt ertoe dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld, dat het bouwplan in strijd is met artikel 17, lid A, aanhef en onder 4, van de planvoorschriften.

2.7. Gelet op de strijdigheid van het bouwplan met het bestemmingsplan kunnen de gronden gericht tegen het oordeel van de rechtbank over het horen van appellant in bezwaar en de situering van het bouwplan onbesproken blijven.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.9. Het college heeft in de nieuwe beslissing op bezwaar van 17 februari 2004 de aangevallen uitspraak in acht genomen. Het tegen dat besluit door appellant ingestelde beroep is ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van 17 februari 2004 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Roelfsema

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2004

58-429.