Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO9969

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-05-2004
Datum publicatie
26-05-2004
Zaaknummer
200304825/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 juni 2003, kenmerk 14-1997, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellant sub 1 een vergunning verleend voor het veranderen van een vleesvarkenshouderij gelegen op het perceel [locatie a] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 3 juli 2003 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2004, 88K
Milieurecht Totaal 2004/1098
Omgevingsvergunning in de praktijk 2004/2759

Uitspraak

200304825/1.

Datum uitspraak: 26 mei 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Oirschot,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 juni 2003, kenmerk 14-1997, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellant sub 1 een vergunning verleend voor het veranderen van een vleesvarkenshouderij gelegen op het perceel [locatie a] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 3 juli 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 21 juli 2003, bij de Raad van State ingekomen op 22 juli 2003, appellant sub 2 bij brief van 14 augustus 2003, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op dezelfde dag, en appellant sub 3 bij brief van 14 augustus 2003, ter post bezorgd op dezelfde dag en bij de Raad van State ingekomen op

15 augustus 2003, beroep ingesteld. Appellant sub 2 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 12 september 2003. Appellant sub 3 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van eveneens 12 september 2003.

Bij brief van 15 oktober 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten sub 2 en sub 3. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 januari 2004, waar appellant sub 1, in persoon en bijgestaan door mr. P.J.G. Goumans, advocaat te Roermond, appellanten sub 2 en sub 3, vertegenwoordigd door

mr. G.J.M. de Jager, advocaat te Tilburg, en verweerder, vertegenwoordigd door S.P.M. Verouden-van Leeuwen, ambtenaar van de gemeente, en

ing. C. Spapens, gemachtigde, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De bij het bestreden besluit verleende veranderingsvergunning heeft betrekking op het veranderen van de reeds binnen de inrichting aanwezige stal 1 in stalsysteem Groen Label BB 97.07.056 V2, het veranderen van de reeds binnen de inrichting aanwezige stal 2 in stalsysteem Groen Label

BB 99.02.069, het uitbreiden van de inrichting met een nieuw op te richten vleesvarkensstal met stalsysteem Groen Label BB 99.02.070, het uitbreiden van het veebestand met 2.992 vleesvarkens en 12 paarden en het oprichten van een wasplaats voor de reiniging van vrachtauto’s, een ziekenboeg en een mestbassin. Voor de inrichting is eerder op 28 oktober 1997 een veranderingsvergunning krachtens de Wet milieubeheer verleend waarbij het veebestand is gewijzigd in 1.090 vleesvarkens. Het thans in totaal vergunde veebestand komt overeen met 4.082 vleesvarkens en 12 paarden.

2.2. Verweerder heeft gesteld dat het beroep van appellant sub 1 niet-ontvankelijk is voorzover dat zich keert tegen het gedeeltelijk onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan en dat het beroep van appellanten sub 2 en sub 3 niet-ontvankelijk is voorzover dat zich keert tegen grondslagverlating als gevolg van het aan de vergunning verbinden van de voorschriften 9.1.5 tot en met 9.1.9, het door verweerder ten onrechte geen toepassing geven aan artikel 24 van de Regeling inzake hygiënevoorschriften besmettelijke dierziekten 2000 (hierna: de Regeling), het door verweerder ten onrechte geen rekening houden met een kwetsbaar gebied in de omgeving van de inrichting als bedoeld in de Wet ammoniak en veehouderij (hierna: de Wav) en de bijzondere gevoeligheid van de paarden behorende tot het bedrijf gelegen op het perceel [locatie b]. Appellant sub 1 heeft zich ter zitting er op beroepen dat het beroep van appellanten sub 2 en sub 3 niet-ontvankelijk is voorzover dat zich keert tegen de bijzondere gevoeligheid van de paarden behorende tot het bedrijf gelegen op het perceel [locatie b].

2.2.1. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

2.2.2. Appellanten sub 2 en sub 3 hebben de grond inzake grondslagverlating als gevolg van het aan de vergunning verbinden van de voorschriften 9.1.5 tot en met 9.1.9 niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellanten sub 2 en sub 3 redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellanten sub 2 en sub 3 in zoverre niet-ontvankelijk is.

Appellant sub 2 heeft de grond inzake de bijzondere gevoeligheid van de paarden behorende tot het bedrijf gelegen op het perceel [locatie b] niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellant sub 2 redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellant sub 2 in zoverre niet-ontvankelijk is.

Voorts hebben appellanten sub 2 en sub 3 de gronden inzake het door verweerder ten onrechte geen toepassing geven aan artikel 24 van de Regeling en het door verweerder ten onrechte geen rekening houden met een kwetsbaar gebied in de omgeving van de inrichting als bedoeld in de Wav niet als bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Gelet op het feit dat de Regeling en de Wav van toepassing zijn geworden na de terinzagelegging van het ontwerpbesluit kan appellanten sub 2 en sub 3 redelijkerwijs niet worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het bestreden besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellanten sub 2 en sub 3 in zoverre ontvankelijk is.

Wat betreft het beroep van appellant sub 1 voorzover dat zich keert tegen het gedeeltelijk onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan overweegt de Afdeling dat geen aanleiding bestaat voor het niet-ontvankelijk verklaren van het beroep, nu de Afdeling het aldus begrijpt dat er geen sprake is van een zelfstandige beroepsgrond maar dat het gaat om een argument ter ondersteuning van het beroep van appellant sub 1 op artikel 8.18, tweede lid, van de Wet milieubeheer.

Anders dan verweerder en appellant sub 1 stellen vindt het beroep van appellant sub 3 voorzover dat zich keert tegen de bijzondere gevoeligheid van de paarden behorende tot het bedrijf gelegen op het perceel [locatie b]

wel zijn grondslag in de bedenkingen, waarin immers is aangevoerd dat de paarden op voornoemd perceel hinder ondervinden van de aan- en afvoerroute naar de onderhavige inrichting. Het beroep van appellant sub 3 is daarom in zoverre ontvankelijk.

2.3. Voorts hebben verweerder en appellant sub 1 zich erop beroepen dat appellanten sub 2 en sub 3 strijd met de Richtlijn 96/61 van de Raad van de Europese Unie van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (hierna: de Richtlijn) niet als bedenking tegen het ontwerpbesluit hebben ingebracht en dat het beroep ook in zoverre niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard.

De Afdeling constateert dat appellanten sub 2 en sub 3 deze beroepsgrond niet in hun bedenkingen hebben aangevoerd. Zij is echter van oordeel dat dit niet in de weg staat aan beoordeling daarvan, nu het hier gaat om mogelijk rechtstreeks werkende bepalingen van Europees recht waarvan de handhaving door de nationale rechter moet worden verzekerd en de afwijzing van die beoordeling ertoe zou kunnen leiden dat het gemeenschapsrechtelijke effectiviteitsbeginsel wordt geschonden.

2.4. Appellant sub 1 stelt dat verweerder in het onderhavige geval toepassing moet geven aan artikel 8.18, tweede lid, van de Wet milieubeheer. De omstandigheden dat per 1 januari 2007 het stelsel van varkensrechten wordt afgeschaft, goedkeuring is onthouden aan het bouwblok op zijn perceel en er onduidelijkheden zijn met betrekking tot de intensieve veehouderij en de nieuwe ammoniak- en reconstructiewetgeving zouden volgens hem voldoende aanleiding moeten geven om af te wijken van artikel 8.18, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

2.4.1. Ingevolge artikel 8.18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer vervalt de vergunning voor een inrichting indien de inrichting niet binnen drie jaar nadat de vergunning onherroepelijk is geworden, is voltooid en in werking gebracht.

Ingevolge het tweede lid kan, indien kan worden verwacht dat de inrichting niet binnen de in het eerste lid, onder a, bedoelde termijn kan worden voltooid en in werking gebracht, in de vergunning een andere termijn worden vastgesteld, die daarvoor in de plaats treedt.

2.4.2. In hetgeen appellant sub 1 naar voren heeft gebracht ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat kan worden verwacht dat de onderhavige inrichting niet binnen drie jaar nadat de vergunning onherroepelijk is geworden zou kunnen worden voltooid en in werking gebracht. Het beroep van appellant sub 1 is derhalve ongegrond.

2.5. Appellanten sub 2 en sub 3 betogen dat de vleesvarkensstallen niet conform de beste beschikbare technieken in de zin van de Richtlijn zijn vergund.

2.5.1. Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de Richtlijn treffen de Lid-Staten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen om uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding aan deze richtlijn te voldoen. Op

30 oktober 1999 is deze implementatietermijn verstreken.

Ingevolge artikel 1 van de Richtlijn, voorzover hier van belang, heeft deze richtlijn de geïntegreerde preventie en beperking van verontreiniging door de in bijlage I genoemde activiteiten ten doel.

Ingevolge bijlage I, onder 6.6, aanhef en onder b, bij de Richtlijn geldt voor installaties voor intensieve varkenshouderij een drempelwaarde van meer dan 2.000 plaatsen voor mestvarkens.

In artikel 2, aanhef en onder 3, van de Richtlijn wordt onder installatie verstaan: een vaste technische eenheid waarin een of meer van de in bijlage I genoemde activiteiten en processen alsmede andere daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten plaatsvinden, die technisch in verband staan met de op die plaats ten uitvoer gebrachte activiteiten en de gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging.

In artikel 2, aanhef en onder 4, van de Richtlijn wordt het begrip bestaande installaties gedefinieerd als: een installatie die in bedrijf is of, in het kader van de voor de datum van toepassing van deze richtlijn bestaande wetgeving, een installatie waarvoor een vergunning is verleend of waarvoor naar het oordeel van de bevoegde autoriteit een volledige vergunningsaanvraag is ingediend, op voorwaarde dat die installatie uiterlijk een jaar na de datum van toepassing van deze richtlijn in werking wordt gesteld.

In artikel 4 van de Richtlijn, voorzover hier van belang, is bepaald dat de Lid-Staten de nodige maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat geen nieuwe installatie wordt geëxploiteerd zonder een vergunning overeenkomstig deze richtlijn.

In artikel 3, aanhef en onder a, van de Richtlijn is bepaald dat de Lid-Staten de nodige maatregelen treffen opdat de bevoegde autoriteiten ervoor zorgen dat de installatie zo zal worden geëxploiteerd dat alle passende preventieve maatregelen tegen verontreinigingen worden getroffen, met name door toepassing van de beste beschikbare technieken.

In artikel 9, derde lid, van de Richtlijn is bepaald dat de vergunning emissiegrenswaarden voor de verontreinigende stoffen bevat, met name die van bijlage III, die in significante hoeveelheden uit de betrokken installatie kunnen vrijkomen, gelet op hun aard en hun potentieel voor overdracht van verontreiniging tussen milieucompartimenten (water, lucht en bodem). Voorts is bepaald dat de vergunning, zo nodig, passende voorschriften bevat ter bescherming van bodem en grondwater, en maatregelen voor het beheer van de door de installatie voortgebrachte afvalstoffen. De grenswaarden kunnen volgens dit artikellid, zo nodig, worden aangevuld of vervangen door gelijkwaardige parameters of gelijkwaardige technische maatregelen. Voor de installaties van rubriek 6.6 van bijlage I wordt bij de overeenkomstig dit artikellid vastgestelde emissiegrenswaarden rekening gehouden met de aan die categorieën installaties aangepaste praktische regelingen.

In artikel 9, vierde lid, van de Richtlijn is bepaald dat onverminderd artikel 10 de emissiegrenswaarden, de parameters en de gelijkwaardige technische maatregelen, bedoeld in het derde lid, zijn gebaseerd op de beste beschikbare technieken, zonder dat daarmee het gebruik van een bepaalde techniek of technologie wordt voorgeschreven, met inachtneming van de technische kenmerken en de geografische ligging van de betrokken installatie, alsmede de plaatselijke milieuomstandigheden. Voorts bepaalt dit artikellid dat de vergunningvoorwaarden in ieder geval de bepalingen bevatten betreffende de minimalisering van de verontreiniging over lange afstand of van de grensoverschrijdende verontreiniging en een hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel waarborgen.

In artikel 9, achtste lid, van de Richtlijn is bepaald dat onverminderd de verplichting tot instelling van een vergunningprocedure overeenkomstig deze richtlijn de Lid-Staten voor bijzondere categorieën installaties bijzondere verplichtingen kunnen vaststellen in dwingende algemene voorschriften en niet in vergunningvoorwaarden, mits een geïntegreerde aanpak en een even hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel zijn gewaarborgd.

In artikel 2, aanhef en onder 11, van de Richtlijn wordt het begrip beste beschikbare technieken gedefinieerd als: het meest doeltreffende en geavanceerde ontwikkelingsstadium van de activiteiten en exploitatiemethoden, waarbij de praktische bruikbaarheid van speciale technieken om in beginsel het uitgangspunt voor de emissiegrenswaarden te vormen is aangetoond, met het doel emissies en effecten op het milieu in zijn geheel te voorkomen, of wanneer dat niet mogelijk blijkt algemeen te beperken. Voorts wordt aldaar het begrip technieken gedefinieerd als: zowel de toegepaste techniek als de wijze waarop de installatie wordt ontworpen, gebouwd, onderhouden, geëxploiteerd en ontmanteld. Daarnaast wordt het begrip beschikbare gedefinieerd als: op zodanige schaal ontwikkeld dat de betrokken technieken, kosten en baten in aanmerking genomen, economisch en technisch haalbaar in de betrokken industriële context kunnen worden toegepast, onafhankelijk van de vraag of die technieken al dan niet op het grondgebied van de betrokken Lid-Staat worden toegepast of geproduceerd, mits zij voor de exploitant op redelijke voorwaarde toegankelijk zijn. Tot slot, voorzover hier van belang, wordt aldaar het begrip beste gedefinieerd als: het meest doeltreffend voor het bereiken van een hoog algemeen niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel. Bij de bepaling van de beste beschikbare technieken moeten de in bijlage IV vermelde punten speciaal in aanmerking worden genomen.

In Bijlage IV van de Richtlijn is bepaald dat de overwegingen waarmee in het algemeen of in bijzondere gevallen rekening moet worden gehouden bij de bepaling van de beste beschikbare technieken, omschreven in artikel 2, punt 11, rekening houdend met de eventuele kosten en baten van een actie en met het voorzorgs- en preventiebeginsel, zijn:

1. de toepassing van technieken die weinig afval veroorzaken;

2. de toepassing van minder gevaarlijke stoffen;

3. de ontwikkeling, waar mogelijk, van technieken voor de terugwinning en recycling van de in het proces uitgestoten en gebruikte stoffen en van afval;

4. vergelijkbare processen, apparaten of exploitatiemethoden die met succes op industriële schaal zijn beproefd;

5. de vooruitgang van de techniek en de ontwikkeling van de wetenschappelijke kennis;

6. de aard, de effecten en de omvang van de betrokken emissies;

7. de data van ingebruikneming van de nieuwe of bestaande installaties;

8. de tijd die nodig is voor het omschakelen op een betere beschikbare techniek;

9. het verbruik en de aard van de grondstoffen (met inbegrip van water) en de energie-efficiëntie;

10. de noodzaak het algemene effect van de emissies en de risico’s op het milieu te voorkomen of tot een minimum te beperken;

11. de noodzaak ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor het milieu te beperken;

12. de door de Commissie krachtens artikel 16, tweede lid, of door internationale organisaties bekendgemaakte informatie.

In artikel 16, tweede lid, van de Richtlijn is bepaald dat de Commissie de uitwisseling van informatie organiseert tussen de Lid-Staten en de betrokken bedrijfstakken over de beste beschikbare technieken, de daarmee samenhangende controlevoorschriften en de ontwikkelingen op dat gebied. De Commissie maakt ingevolge dit artikel de resultaten van de informatie-uitwisseling om de drie jaar bekend.

2.5.2. De in het geding zijnde vergunning heeft betrekking op het houden van in totaal 4.082 vleesvarkens en 12 paarden. Nu meer dan 2.000 vleesvarkens in de inrichting worden gehouden valt de inrichting, gelet op artikel 1 van de Richtlijn in samenhang bezien met categorie 6.6, aanhef en onder b, van bijlage I behorende bij deze richtlijn onder de werkingssfeer van de Richtlijn.

Op grond van de geldende vergunning mogen binnen de inrichting 1.090 vleesvarkens worden gehouden. Nu eerst met de bij het bestreden besluit verleende vergunning meer dan 2.000 vleesvarkens binnen de inrichting mogen worden gehouden, is er sprake van een nieuwe installatie in de zin van de Richtlijn en bijgevolg geen sprake van een bestaande installatie in de zin van artikel 2, aanhef en onder 4, van de Richtlijn. Dit houdt in dat het in artikel 9, derde en vierde lid, van de Richtlijn opgenomen beoordelingskader in het onderhavige geval van toepassing is.

2.5.3. Verweerder heeft bij het bestreden besluit vergunning verleend met toepassing van artikel 8, vierde lid, van de Interimwet ammoniak en veehouderij (hierna: de Interimwet). Ingevolge artikel 10, negende lid, van de Wav blijft, indien de aanvraag om een vergunning voor een veehouderij is ingediend voor 8 december 2000, het voor dat tijdstip geldende recht van toepassing tot het tijdstip waarop de beschikking op de aanvraag onherroepelijk is geworden. De aan het bestreden besluit ten grondslag liggende aanvraag is blijkens het bestreden besluit op 12 januari 2000 bij verweerder binnengekomen. Gelet hierop is in het onderhavige geval niet de Wav, maar de Interimwet van toepassing.

Zoals de Afdeling onder meer eerder heeft overwogen in de uitspraak van 13 november 2002 in zaak no. 200200405/1 (www.raadvanstate.nl en AB 2002, 27) blijft het toetsingskader van artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer bij de beoordeling van de ammoniakdepositie en -emissie, buiten beschouwing omdat de Interimwet en de Uitvoeringsregeling ammoniak en veehouderij (hierna: de Uitvoeringsregeling) het exclusieve toetsingskader vormen. Verder heeft de Afdeling in genoemde uitspraak geoordeeld dat aangezien de Interimwet geen garantie biedt voor een geïntegreerde aanpak en een even hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel, het niet uitgesloten moet worden geacht dat het resultaat van vergunningverlening dat artikel 9, achtste lid, van de Richtlijn vereist door toepassing van de Interimwet niet kan worden bereikt. Ten slotte heeft de Afdeling in deze uitspraak geoordeeld dat de in artikel 9, vierde lid, van de Richtlijn opgenomen norm in ieder geval wat betreft de grenzen van de aan de Staat gelaten beoordelingsvrijheid onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is, zodat voor de nationale rechter in zoverre een rechtstreeks beroep kan worden gedaan op dit artikellid.

2.5.4. In juli 2003 is door de Europese Commissie het “Reference Document on Best Available Techniques for Intensive Rearing of Poultry and Pigs” (hierna: het BREF-document) bekend gemaakt. In dit BREF-document is ondermeer bepaald welke stalsystemen voor vleesvarkens voldoen aan de eis van de beste beschikbare technieken in de zin van de Richtlijn.

De bij het bestreden besluit verleende veranderingsvergunning heeft betrekking op drie stalsystemen. Wat betreft de reeds binnen de inrichting aanwezige stal 1 wordt het stalsysteem veranderd van een traditioneel systeem in Groen Label BB 97.07.056 V2: mestkelders met een water- en mestkanaal, bij een maximum van 0,27 m2 emitterend mestoppervlak per varkensplaats door een schuine kelderwand met IC-metalen driekantroosters op het mestkanaal. De Afdeling stelt vast dat dit stalsysteem wat betreft de werking en de te behalen milieuvoordelen overeenkomt met het in het BREF-document als de beste beschikbare techniek opgenomen stalsysteem 4.6.4.2: partly-slatted floor with manure channel with slanted side wall(s). Gelet hierop is het voor stal 1 aangevraagde en vergunde stalsysteem gebaseerd op de beste beschikbare technieken als bedoeld in artikel 9, vierde lid, van de Richtlijn.

Met de bij het bestreden besluit verleende veranderingsvergunning wordt voorts het stalsysteem van de reeds binnen de inrichting aanwezige stal 2 veranderd van een traditioneel systeem in Groen Label BB 99.02.069: koeldeksysteem (200% koeloppervlak) in combinatie met een betonnen gedeeltelijke roostervloer, bij een maximum van 0,6 m2 emitterend mestoppervlak per varkensplaats. De Afdeling stelt vast dat dit stalsysteem wat betreft de werking en de te behalen milieuvoordelen overeenkomt met het in het BREF-document opgenomen stalsysteem 4.6.4.4: partly-slatted floor with manure surface cooling fins. Volgens het BREF-document is dit stalsysteem ondermeer als de beste beschikbare techniek aangemerkt in het geval dat het huisvestingssysteem van een bestaande stal op een aantal onderdelen moet worden aangepast en veranderd teneinde de dieren volgens het koeldeksysteem te kunnen huisvesten. In het onderhavige geval worden in de reeds bestaande traditionele stal aanpassingen doorgevoerd en onderdelen aangebracht teneinde tot het aangevraagde en vergunde koeldeksysteem te komen. Gelet hierop is het voor stal 2 aangevraagde en vergunde stalsysteem gebaseerd op de beste beschikbare technieken als bedoeld in artikel 9, vierde lid, van de Richtlijn.

Tot slot is bij het bestreden besluit een nieuw op te richten stal 3 vergund met stalsysteem Groen Label BB 99.02.070: mestkelders met een water- en mestkanaal, bij een maximum van 0,27 m2 emitterend mestoppervlak per varkensplaats door een schuine kelderwand met een IC-V betonnen gedeeltelijke roostervloer. De Afdeling stelt vast dat dit stalsysteem wat betreft de werking en de te behalen milieuvoordelen overeenkomt met het in het BREF-document als de beste beschikbare techniek opgenomen stalsysteem 4.6.4.2: partly-slatted floor with manure channel with slanted side wall(s). In het BREF-document wordt evenwel aangegeven dat dit stalsysteem alleen kan worden beschouwd als de beste beschikbare techniek, wanneer het emitterend mestoppervlak per varkensplaats niet meer bedraagt dan 0,18 m2. Uit de aanvraag alsmede uit het aan de vergunning verbonden voorschrift 13.1.4 volgt dat het emitterend mestoppervlak in het onderhavige geval maximaal 0,27 m2 per dierplaats bedraagt.

De Afdeling overweegt dat het BREF-document van juli 2003 weliswaar nog niet bekend was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, maar wijst erop dat het voor stal 3 aangevraagde en vergunde stalsysteem ook niet in overeenstemming is met de brief van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Minister) van 26 maart 2002, zoals deze aan burgermeester en wethouders van alle gemeenten in Nederland is verzonden. In deze brief adviseert de Minister het bevoegd gezag om, in afwachting van het in werking treden van het Ontwerp-Besluit ammoniakemissie huisvesting en veehouderij, bij een vergunningaanvraag voor nieuw te bouwen vleesvarkenverblijven uit te gaan van een maximale emissiewaarde van 1,2 kg NH3. Het voor stal 3 aangevraagde en vergunde stalsysteem heeft volgens Bijlage 4 bij de Uitvoeringsregeling een emissiewaarde van 1,5 kg NH3. Nu in de Uitvoeringsregeling stalsystemen zijn opgenomen met een lagere emissiewaarde, is de Afdeling van oordeel dat verweerder aanleiding had moeten zien te onderzoeken of in het onderhavige geval voor stal 3 een emissiearmer stalsysteem had kunnen worden toegepast, temeer nu uit de brief van de Minister van 26 maart 2002 volgt dat verweerder de aldaar genoemde maximale emissiewaarde van 1,2 kg NH3 als uitgangspunt had moeten hanteren.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder onvoldoende onderzocht of het bij het bestreden besluit vergunde stalsysteem voor stal 3 en de daarmee in feite vergunde emissie is gebaseerd op de beste beschikbare techniek met inachtneming van de technische kenmerken en de geografische ligging van de betrokken installatie alsmede de plaatselijke milieuomstandigheden als bedoeld in artikel 9, vierde lid, van de Richtlijn, mede bezien in het licht van artikel 9, achtste lid, van de Richtlijn. Het bestreden besluit is derhalve genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dat vereist dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van het besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten vergaart.

Deze beroepsgrond slaagt.

2.6. Het beroep van appellant sub 1 is ongegrond. Het beroep van appellanten sub 2 en sub 3 is, voorzover ontvankelijk, gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De overige beroepsgronden van appellanten sub 2 en sub 3 behoeven geen bespreking.

2.7. Wat betreft appellant sub 1 bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding. Wat betreft appellanten sub 2 en sub 2 dient verweerder op te na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Omdat ter zitting rechtsbijstand is verleend door één en dezelfde persoon en de beroepen van appellanten sub 2 en sub 3 grotendeels overeenkomen, ziet de Afdeling aanleiding wat de kosten van deze door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand betreft uit te gaan van één beroep. Het bedrag dat voor deze kosten moet worden vergoed, wordt verdeeld over genoemde appellanten.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van appellant sub 2 niet-ontvankelijk voorzover het de grond inzake grondslagverlating als gevolg van het aan de vergunning verbinden van de voorschriften 9.1.5 tot en met 9.1.9 en de grond inzake de bijzondere gevoeligheid van de paarden behorende tot het bedrijf gelegen op het perceel [locatie b] betreft en het beroep van appellant sub 3 niet-ontvankelijk voorzover het de grond inzake grondslagverlating als gevolg van het aan de vergunning verbinden van de voorschriften 9.1.5 tot en met 9.1.9 betreft;

II. verklaart het beroep van appellant sub 1 ongegrond;

III. verklaart de beroepen van appellanten sub 2 en sub 3 voor het overige gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Oirschot van 24 juni 2003, kenmerk 14-1997;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Oirschot in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 322,00 voor appellant sub 2, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en tot een bedrag van € 322,00 voor appellant sub 3, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; de bedragen dienen door de gemeente Oirschot te worden betaald aan appellanten sub 2 en sub 3;

VI. gelast dat de gemeente Oirschot aan appellanten sub 2 en sub 3 het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 116,00 voor appellant sub 2 en € 116,00 voor appellant sub 3) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. B.J. van Ettekoven en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van Hardeveld

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2004

312-443.