Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO9748

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-05-2004
Datum publicatie
19-05-2004
Zaaknummer
200306230/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 december 2002 heeft de gemeenteraad van Westerveld, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders, het bestemmingsplan "Herziening bestemmingsplan Bedrijventerrein Dieverbrug" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200306230/1.

Datum uitspraak: 19 mei 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellante sub 2], wonend te [woonplaats],

3. de vereniging "Vereniging Milieudefensie", gevestigd te Amsterdam,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Drenthe,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2002 heeft de gemeenteraad van Westerveld, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders, het bestemmingsplan "Herziening bestemmingsplan Bedrijventerrein Dieverbrug" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 12 augustus 2003, kenmerk 6.1/2003000558, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 16 september 2003, bij de Raad van State ingekomen op 18 september 2003, appellante sub 2 bij brief van 18 september 2003, bij de Raad van State ingekomen op 22 september 2003, en appellante sub 3 bij brief van 16 september 2003, bij de Raad van State ingekomen op 22 september 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 21 november 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant sub 1. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 april 2004, waar appellant sub 1 in persoon, appellante sub 2 in persoon, appellante sub 3, vertegenwoordigd door M.M. Verf, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door E. Saathof, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is aldaar namens de gemeenteraad J.J. Zwier, ambtenaar van de gemeente, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan dat is vastgesteld om te voldoen aan de in artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) neergelegde verplichting een nieuw plan vast te stellen, nadat aan het eerder op 24 februari 2000 vastgestelde bestemmingsplan “Bedrijventerrein Dieverbrug” bij uitspraak van 17 april 2002 in zaak no. 200005020/1 (www.raadvanstate.nl) door de Afdeling zelfvoorziend gedeeltelijk goedkeuring is onthouden.

Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan in overeenstemming zijn met de beslissing waarbij goedkeuring aan het eerder vastgestelde plan is onthouden en niet anderszins in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het plan voorziet in de aanleg van een bedrijventerrein bij de kern Dieverbrug.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het plan goedgekeurd.

2.3. Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Zij achten de noodzaak van de aanleg van het bedrijventerrein niet aangetoond en het plan in strijd met het mede als streekplan aan te merken Provinciaal Omgevingsplan (hierna: het POP). De vereniging “Vereniging Milieudefensie” (hierna: Milieudefensie) stelt daarbij dat ten onrechte niet is getoetst aan de Flora- en faunawet.

Voorts komt volgens appellanten in de planvoorschriften onvoldoende tot uitdrukking dat het bedrijventerrein bedoeld is voor lokale, kleinschalige bedrijven. Zij achten de toegestane bouwhoogte te groot terwijl [appellant sub 1] en Milieudefensie daarenboven op de omvang van de bouwpercelen wijzen. Volgens Milieudefensie is onvoldoende voorzien in een landschappelijke inpassing van het terrein gelet op de breedte van de strook gronden met de aanduiding ‘beplanting’. Verder is de algemene vrijstellingsmogelijkheid volgens appellanten te ruim en ontbreken ten onrechte in de voorschriften normen ten aanzien van geluid- en lichthinder, een regeling ten aanzien van bouwstijl, materiaalgebruik en energiebesparing alsmede waarborgen op het gebied van archeologie.

2.3.1. De gemeenteraad heeft aan het plangebied de bestemming "Bedrijventerrein" toegekend. Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 17 april 2002 in zaak no. 200005020/1 is aan de planvoorschriften toegevoegd dat de oppervlakte van een bouwperceel niet meer dan 2.000 m2 mag bedragen met een vrijstellingsmogelijkheid voor twee bouwpercelen tot 5.000 m².

2.3.2. Verweerder heeft geen reden gezien het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft dit goedgekeurd. Hij is van mening dat het plan niet in strijd is met het POP. Het kleinschalige karakter van het bedrijventerrein is volgens hem thans voldoende gewaarborgd.

2.3.3. In haar uitspraak van 17 april 2002 in zaak no. 200005020/1 heeft de Afdeling het volgende overwogen:

”Ingevolge het op 16 december 1998 door provinciale staten vastgestelde streekplan "Provinciaal omgevingsplan" (hierna: het streekplan) en de daarbij behorende functiekaart 1 is de kern Dieverbrug, die ligt tussen de zogeheten hoofdkernen Diever en Dwingeloo, aangewezen als "kleine kern". Blijkens het streekplan hebben kleine kernen slechts in beperkte mate een functie voor incidentele kleinschalige lokale bedrijvigheid. Voor de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen geldt als voorwaarde dat deze ruimtelijk goed inpasbaar moeten kunnen zijn zonder belangrijke omgevingswaarden aan te tasten. De aanleg van speciale bedrijventerreinen wordt in het algemeen niet nodig geacht.

De Afdeling komt dit beleid niet onredelijk voor.

Het plangebied bestaat blijkens de plantoelichting uit een open ruimte met aan de westzijde houtwallen. Het huidige grondgebruik is hoofdzakelijk agrarisch. Het oostelijk gebiedsdeel behoort tot de rand van een beekdal.

In het streekplan is het plangebied hoofdzakelijk aangeduid als "zone II" en voor een klein deel als "zone III". Over zone II staat in het streekplan dat uitoefening van de grondgebonden landbouw op bedrijfseconomische grondslag voorop staat. Tevens wordt gestreefd naar het instandhouden van de waarden van natuur, landschap en cultuurhistorische hoofdstructuur alsmede de mogelijkheid voor recreatief medegebruik. In zone III zijn blijkens het streekplan landbouw, recreatief medegebruik en de waarden van natuur, landschap en cultuurhistorie gelijkwaardig. Daarbij staat de samenhang tussen landbouwkundige, abiotische, cultuurhistorische, landschappelijke en archeologische waarden voorop.

Uit het streekplan blijkt dat aan bebouwing ten behoeve van bedrijvigheid die geen functionele relatie met het landelijk gebied heeft in verband met het voorkómen van aantasting van waarden op het gebied van landbouw, recreatie en natuur, in de regel geen ruimte wordt gegeven.

Ook in zoverre acht de Afdeling het provinciale beleid niet onredelijk.

Het standpunt van verweerders dat het streekplan het mogelijk maakt in bijzondere situaties, mits goed gemotiveerd, op een plek als opgenomen in het bestemmingsplan te voorzien in de aanleg van een bedrijventerrein, komt de Afdeling, gelet op de woorden ‘in het algemeen’ en ‘in de regel’, niet onjuist voor.

Ter voorbereiding van de vaststelling van het plan heeft het gemeentebestuur in 1996 een enquête gehouden onder de plaatselijke ondernemers naar de behoefte aan een bedrijventerrein. Blijkens de actualisering uit 2000 van deze enquête willen 26 bedrijven zich vestigen in Dieverbrug. Gezamenlijk hebben zij een behoefte aan 4,56 hectare bedrijventerrein. Uit een onderzoek van de Hanzehogeschool Groningen van 30 januari 2001 blijkt dat 17 ondernemers uit het gebied Diever - Dieverbrug - Dwingeloo een nieuwe bedrijfskavel wensen met name vanwege geringe uitbreidingsmogelijkheden op de huidige plaats.

Mede gelet op het deskundigenbericht is niet gebleken dat deze onderzoeken zodanige gebreken of leemten in kennis vertonen dat verweerders zich hierop bij het nemen van hun besluit niet hadden mogen baseren. Gelet hierop acht de Afdeling de noodzaak voor een bedrijventerrein in de gemeente Westerveld aannemelijk.

Op de funktiekaart 1 van het streekplan zijn vanwege de aanwezige waarden van de grotendeels als zone III aangeduide gebieden rond de kernen Diever en Dwingeloo contourlijnen om deze kernen aangegeven die de ruimtelijke ontwikkelingen van de kernen begrenzen. Om de kern Dieverbrug ligt ingevolge de funktiekaart 1 van het streekplan geen contourlijn. Daargelaten of op het bestaande bedrijventerrein in Dwingeloo uitgeefbare kavels beschikbaar zijn, acht de Afdeling het standpunt van verweerders dat hierdoor uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein en aanleg van een nieuw terrein bij Diever niet gewenst is, niet onredelijk. Mede gelet op het hierboven genoemde beleid ten aanzien van zone III gebieden, acht zij aannemelijk dat de aanleg van een bedrijventerrein bij Diever of Dwingeloo een grotere inbreuk op het landschap betekent dan de aanleg van een bedrijventerrein in het overwegend als zone II aangeduide plangebied.

Het standpunt van verweerders dat in het kader van de zogeheten kernenstructuur het onwenselijk moet worden geacht indien de regionale bedrijventerreinen in Beilen, Hoogeveen en Meppel voorzien in de behoefte aan een bedrijventerrein komt de Afdeling niet onredelijk voor. Zij neemt daarbij onder meer de afstand tot die bedrijventerreinen en de omvang van de bedrijvigheid in aanmerking.

Gelet op al het vorenstaande en het verhandelde ter zitting is de Afdeling van oordeel dat niet is gebleken dat verweerders niet in redelijkheid onder deze omstandigheden de aanleg van een bedrijventerrein in het plangebied in overeenstemming met het streekplan hebben kunnen achten.”.

De Afdeling overweegt dat zij in haar uitspraak van 17 april 2002 de destijds door appellanten ingebrachte algemene bezwaren inzake de vermeende strijd met het POP en de noodzaak voor en de plaats van het bedrijventerrein heeft beoordeeld. In dat verband benadrukt zij nog dat niet is gebleken dat het plan vanwege de aanwezigheid van beschermde dier- en plantensoorten niet uitvoerbaar moet worden geacht. Appellanten hebben geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn zich thans op een ander standpunt te stellen. Verweerder heeft derhalve in redelijkheid kunnen instemmen met de aanleg van een bedrijventerrein op de op de plankaart aangegeven plaats.

2.3.4. In haar uitspraak van 17 april 2002 in zaak no. 200005020/1 heeft de Afdeling voorts het volgende overwogen:

”In de plantoelichting staat in navolging van hetgeen in het streekplan staat dat het bedrijventerrein is bedoeld voor kleinschalige bedrijvigheid met een lokaal karakter.

Blijkens de plantoelichting zullen in het westelijke deel kavels worden uitgegeven van ongeveer 2000 m2 en is het oostelijke deel bedoeld voor kleinere kavels van ongeveer 800 tot 2000 m2.

Het plangebied omvat in totaal ongeveer 8 hectare waarvan ongeveer 5,6 hectare voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein is bestemd.

Aan de gronden is hoofdzakelijk de bestemming "Bedrijventerrein" toegekend. Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor lichte industrie-, groothandel-, reparatie-, verhuur-, bouwnijverheid- en installatiebedrijven en dienstverlenende bedrijven. Ingevolge het derde lid, onder a, voor zover hier van belang, mag niet meer dan 70% van het bouwperceel worden bebouwd en bedragen de maximale goot- en bouwhoogte 4,5 en 9 meter binnen de gedeelten van het bouwvlak aangegeven met "zichtlocatie" en 5 en 12 meter voor de gedeelten daarbuiten. In het noordwestelijke deel van het plangebied heeft een vlak van ongeveer 120 bij 90 meter de aanduiding "zichtlocatie”. De Afdeling stelt vast dat op de plankaart geen bouwpercelen of bouwvlakken binnen de bestemming "Bedrijventerrein" zijn aangegeven. Ook zijn geen andere bepalingen in het plan opgenomen die de kleinschaligheid van het bedrijventerrein waarborgen. Hierdoor maakt het plan het in beginsel mogelijk dat één bedrijf wordt gevestigd op het totale oppervlak van 5,6 hectare.

Verweerders en burgemeester en wethouders hebben in dit verband verwezen naar de bij het plan behorende “inrichtingstekening”. Hierop staan met een onderbroken streepjeslijn de percelen aangegeven. Vast staat dat de legenda dit lijntje niet verklaart en ook in de voorschriften hierover niets is opgenomen, zodat hieraan geen juridische betekenis kan worden toegekend.

Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming “Bedrijventerrein” niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat verweerders, door dit plandeel goed te keuren, hebben gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. De beroepen van appellanten sub 1 tot en met 4 zijn gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Hieruit volgt dat rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de bestemming “Bedrijventerrein”.

In verband hiermee kunnen de overige bezwaren van appellanten buiten beschouwing blijven.”.

2.3.5. Ter waarborging van het kleinschalige karakter van het bedrijventerrein is in het thans voorliggende bestemmingsplan in artikel 3, derde lid, onder a, sub 3, van de planvoorschriften bepaald dat de oppervlakte van een bouwperceel niet meer dan 2.000 m2 mag bedragen. Het bouwperceel mag voor maximaal 70 % worden bebouwd. Het college van burgemeester en wethouders kan ingevolge artikel 3, vijfde lid, onder e, van de planvoorschriften vrijstelling verlenen van de oppervlaktemaat tot een oppervlakte van 5.000 m2 voor ten hoogste twee bouwpercelen, mits de oppervlakte van gebouwen niet meer dan 3.000 m2 per bouwperceel bedraagt.

2.3.5.1. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat de in artikel 3, derde lid, onder a, sub 3, van de planvoorschriften opgenomen regeling, op basis waarvan een bouwperceel niet groter mag zijn dan 2.000 m2 en een bebouwingspercentage van 70 geldt, in overeenstemming is met de meergenoemde uitspraak.

2.3.5.2. Ten aanzien van de bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders ingevolge artikel 3, vijfde lid, onder e, van de planvoorschriften vrijstelling te verlenen van de oppervlaktemaat tot een oppervlakte van 5.000 m2 overweegt de Afdeling evenwel het volgende.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de WRO kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders met inachtneming van de in het plan vervatte regelen bevoegd is van bij het plan aan te geven voorschriften vrijstelling te verlenen.

Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 3 juni 1996 in zaak no. H01.95.0265 (BR 1996, 897) heeft overwogen, wordt blijkens de wetsgeschiedenis met dit artikel beoogd het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid te geven op ondergeschikte onderdelen van het plan af te wijken.

De in artikel 3, vijfde lid, onder e, van de planvoorschriften opgenomen vrijstellingsbevoegdheid voorziet erin dat het college van burgemeester en wethouders na vrijstelling meer dan een verdubbeling van de toegestane oppervlakte van een bouwperceel kan toestaan. Naar het oordeel van de Afdeling is een dergelijke vergroting mede in het licht van de waarborging van de kleinschaligheid te ingrijpend om door middel van een vrijstellingsbevoegdheid mogelijk te maken.

Gelet op het vorenstaande is artikel 3, vijfde lid, onder e, van de planvoorschriften in strijd met artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de WRO. Door dit voorschrift niettemin goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. De beroepen van [appellant sub 1] en Milieudefensie zijn op dit punt gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Hieruit volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan artikel 3, vijfde lid, onder e, van de planvoorschriften.

2.3.6. De Afdeling overweegt voorts dat de toegestane goot- en bouwhoogte van gebouwen tevens van belang kunnen zijn voor het waarborgen van het kleinschalige karakter van het bedrijventerrein.

Ingevolge artikel 3, derde lid, onder a, sub 4 en 5, van de planvoorschriften bedragen de maximale goot- en bouwhoogte van gebouwen 4,5 en 9 meter binnen de gedeelten van het bouwvlak aangegeven met "zichtlocatie" en 5 en 12 meter voor de gedeelten daarbuiten.

Het standpunt van verweerder dat een bouwhoogte ter plaatse van de “zichtlocatie” van 9 meter geen afbreuk doet aan het kleinschalige karakter, acht de Afdeling niet onredelijk. Deze hoogte sluit bovendien goeddeels aan bij de hoogte van de omliggende bebouwing.

Een bouwhoogte van 12 meter, die voor het grootste gedeelte van het plangebied van toepassing is, gaat boven deze bebouwing uit. Dit betekent echter niet dat de Afdeling het standpunt van verweerder dat ook deze hoogte in dit geval geen afbreuk doet aan het kleinschalige karakter, om die reden onredelijk acht. Daarbij heeft zij betrokken de relatief geringe goothoogte van 5 meter alsmede de omstandigheid dat deze bouwhoogte in overeenstemming is met de in het POP als beleidslijn neergelegde maximumhoogte welke is gerelateerd aan de gemiddelde boomhoogte. Voorts voorziet het plan ter verzachting van de landschappelijke overgang in het aanbrengen van beplanting.

2.3.7. Wat betreft de overige beroepsonderdelen overweegt de Afdeling het volgende.

2.3.7.1. De WRO biedt geen grondslag voor een door appellanten voorgestane regeling in de planvoorschriften, die enkel een specifieke groep van bedrijven toelaat die zich in niets anders onderscheidt van soortgelijke, andere bedrijven dan in hun herkomst. De herkomst van bedrijven is als zodanig uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening bij het reguleren van gebruik van gronden voor bedrijfsdoeleinden niet relevant. Uit de stukken blijkt voorts dat het gemeentebestuur het uitgiftebeleid en de algemene verkoopvoorwaarden voor de verkoop van gronden op het bedrijventerrein, welke de gemeente zelf in eigendom heeft, zal inzetten om het lokale karakter van het bedrijventerrein te waarborgen. Niet is aannemelijk gemaakt dat dit karakter op deze wijze niet kan worden gewaarborgd.

2.3.7.2. Wat betreft de algemene bevoegdheid in artikel 8, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften vrijstelling te verlenen van de op de plankaart of in de voorschriften gegeven maten, afmetingen en percentages tot niet meer dan 10 %, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat deze – op zich niet ongebruikelijke - bepaling in strijd is met (de strekking van) artikel 15 van de WRO.

2.3.7.3. Wat betreft de door appellanten bedoelde breedte van de als “beplanting” op de plankaart aangeduide gronden overweegt de Afdeling dat deze breedtes blijkens de plankaart aan de zuidzijde van het plangebied tien meter en aan de westzijde vijf meter bedragen. Niet is gebleken dat deze stroken te smal zijn om hier hoog opgaande beplanting aan te brengen waarmee kan worden voorzien in een landschappelijke inpassing van het bedrijventerrein. Overigens is ter zitting gebleken dat de gemeente deze beplanting zelf zal aanbrengen en de stroken in eigen beheer zal houden.

2.3.7.4. Voorts kunnen in een bestemmingsplan in beginsel geen voorschriften worden opgenomen ten aanzien van bouwstijl of materiaalgebruik. Het bestemmingsplan leent zich evenmin voor het opnemen van normen ten aanzien van geluid- en lichthinder. Verder heeft verweerder naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid kunnen instemmen met de inrichting van het plangebied voor zover het de voorgestelde plaatsen voor dienstwoningen en de bouwrichting van bedrijfsgebouwen betreft. Hij heeft hierbij geen zwaar gewicht hoeven toe te kennen aan het gebruik van zonne-energie. Ten slotte is de Afdeling, mede gelet op de ter zitting gegeven toelichting over een inventariserend veldonderzoek ter plaatse, niet gebleken dat in het gebied dusdanig belangrijke archeologische waarden voorkomen dat om die reden ter bescherming daarvan nadere voorschriften in het plan hadden moeten worden opgenomen.

2.3.8. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich, behoudens hetgeen de Afdeling onder 2.3.5.2. heeft overwogen, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor het overige anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

De beroepen van [appellant sub 1] en Milieudefensie zijn voor het overige ongegrond. Het beroep van [appellante sub 2] is geheel ongegrond.

2.4. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van Milieudefensie te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellant sub 1] is niet gebleken van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat wat betreft [appellante sub 2] geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en Milieudefensie gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Drenthe van 12 augustus 2003, kenmerk 6.1/2003000558, voor zover het de goedkeuring van artikel 3, vijfde lid, onder e, van de planvoorschriften betreft;

III. onthoudt goedkeuring aan het onder II. bedoelde planvoorschrift;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voor zover dit is vernietigd;

V. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en Milieudefensie voor het overige en van [appellante sub 2] geheel ongegrond;

VI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Drenthe in de door Milieudefensie in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 54,07; het bedrag dient door de provincie Drenthe te worden betaald aan Milieudefensie;

VII. gelast dat de provincie Drenthe aan [appellant sub 1] en Milieudefensie het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 116,00 voor [appellant sub 1] en € 232,00 voor Milieudefensie) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en mr. R.H. Lauwaars en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.D. van Onselen, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton w.g. Van Onselen

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2004

178-371.