Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO9746

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-05-2004
Datum publicatie
19-05-2004
Zaaknummer
200306166/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 april 2001 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college van gedeputeerde staten) aan TotalFinaElf Nederland N.V. (hierna: TotalFinaElf) ontheffing verleend van de verbodsbepalingen, bedoeld in artikel 11 van de Gelderse Wegenverordening tot het gebruikmaken van de Nieuwe Ubbergseweg (weg N 325) voor het wijzigen, behouden en exploiteren van een verkooppunt voor de levering van motorbrandstoffen, met inbegrip van de daartoe benodigde werken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200306166/1.

Datum uitspraak: 19 mei 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 6 augustus 2003 in het geding tussen:

appellant

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2001 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college van gedeputeerde staten) aan TotalFinaElf Nederland N.V. (hierna: TotalFinaElf) ontheffing verleend van de verbodsbepalingen, bedoeld in artikel 11 van de Gelderse Wegenverordening tot het gebruikmaken van de Nieuwe Ubbergseweg (weg N 325) voor het wijzigen, behouden en exploiteren van een verkooppunt voor de levering van motorbrandstoffen, met inbegrip van de daartoe benodigde werken.

Bij besluit van 13 november 2001 heeft het college van gedeputeerde staten het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 augustus 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 15 september 2003, bij de Raad van State ingekomen op 16 september 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 13 oktober 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 6 november 2003 heeft het college van gedeputeerde staten van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 maart 2004, waar appellant in persoon en het college van gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door mr. M.M.P. Vonk, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Daar is ook gehoord TotalFinaElf, vertegenwoordigd door mr. P. Raven, advocaat te Rotterdam.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 11 van de Gelderse Wegenverordening is het verboden een installatie voor levering van motorbrandstoffen of andere weggebonden voorzieningen, welke zijn gesitueerd binnen de grenzen van de weg, dan wel door middel van een in- of uitrit zijn georiƫnteerd op de weg, te plaatsen, te hebben of te wijzigen.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Gelderse Wegenverordening, voorzover hier van belang, kunnen gedeputeerde staten ontheffing verlenen van de verbodsbepalingen, vervat in artikel 7 tot en met 12.

Ingevolge artikel 16, tweede lid, van de Gelderse wegenverordening kunnen aan een ontheffing voorschriften worden verbonden.

2.2. De Afdeling volgt appellant niet in zijn betoog dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan zijn stelling dat de ontheffing, evenals de ten behoeve van het onderhavige verkooppunt verleende bouwvergunningen, ongedaan gemaakt dient te worden omdat de bouwvergunningen zijn verleend als gevolg van misleiding en bedrog van de kant van het gemeentebestuur. Terecht heeft de rechtbank overwogen dat het college van gedeputeerde staten, door de aanvraag om ontheffing te toetsen aan het effect op het gebruik van de weg en de veiligheid van het verkeer op de weg geen onjuiste maatstaf heeft aangelegd. De vraag of de bouwvergunningen terecht of onterecht zijn verleend speelt in dat kader geen rol.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Schortinghuis

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2004

66-398.