Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO9737

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-05-2004
Datum publicatie
19-05-2004
Zaaknummer
200305743/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 april 2002, meegedeeld bij brief van 8 mei 2002 heeft de stuurgroep van het NWO-programma Cognitie, namens het Algemeen Bestuur van de NWO (hierna: het Algemeen Bestuur), afwijzend beslist op de aanvraag van appellant om subsidie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200305743/1.

Datum uitspraak: 19 mei 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 31 juli 2003 in het geding tussen:

appellant

en

het Algemeen Bestuur van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), gevestigd te Den Haag.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 april 2002, meegedeeld bij brief van 8 mei 2002 heeft de stuurgroep van het NWO-programma Cognitie, namens het Algemeen Bestuur van de NWO (hierna: het Algemeen Bestuur), afwijzend beslist op de aanvraag van appellant om subsidie.

Bij besluit van 29 oktober 2002 heeft het Algemeen Bestuur het daartegen door appellant gemaakte bezwaar, overeenkomstig het advies van de Commissie Beroep- en Bezwaarschriften NWO van die datum, ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 juli 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 augustus 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 17 oktober 2003 heeft het Algemeen Bestuur van antwoord gediend.

Bij brieven van 9 december 2003 en 7, 10 en 20 januari 2004 heeft appellant nadere stukken ingediend.

Bij brieven van 19 december 2003 en 7 en 14 januari 2004 heeft het Algemeen Bestuur nadere stukken ingediend.

Bij brief van 15 maart 2004 heeft het Algemeen Bestuur nadere stukken ingediend en ten aanzien daarvan op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht verzocht om geheimhouding. Op 19 maart 2004 heeft een Enkelvoudige kamer van de Afdeling beslist dat beperking van kennisneming van de desbetreffende stukken gerechtvaardigd is.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 april 2004, waar appellant in persoon en het Algemeen Bestuur, vertegenwoordigd door mr. L.J.M. van der Valk, gemachtigde, zijn verschenen. Appellant heeft ter zitting toestemming verleend om mede uitspraak te doen op basis van de stukken waarvan hem de kennisneming is onthouden.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2.1, vijfde lid, van het Reglement NWO 2002 geeft het Algemeen Bestuur, gehoord de betrokken gebiedsbesturen, algemene richtlijnen voor de wijze van beoordeling van subsidieaanvragen.

Ingevolge artikel 2.4 van de Procedures en voorwaarden voor subsidieverlening NWO Subsidieregeling NWO, zoals gewijzigd per 10 mei 1999 (hierna: de Subsidieregeling NWO), voorzover hier van belang, worden bij een oproep tot het doen van subsidieaanvragen de criteria die een rol spelen bij beoordeling en besluitvorming kenbaar gemaakt.

Ingevolge artikel 2.6 van de Subsidieregeling NWO worden subsidieaanvragen beoordeeld door tenminste twee onafhankelijke deskundigen die elk een beoordelingsrapport over de inhoudelijke kwaliteit van de subsidieaanvraag opstellen. De aanvrager wordt in de gelegenheid gesteld om op deze rapporten te reageren. Aan de hand van de ingebrachte beoordelingsrapporten en de reactie hierop van de aanvrager brengt een beoordelingsadviesorgaan, gelet op de inhoudelijke kwaliteit van de subsidieaanvraag, advies uit ten aanzien van de prioriteit van de subsidieaanvraag ten opzichte van andere aanvragen.

Ingevolge artikel 2.7 van de Subsidieregeling NWO vindt de besluitvorming over de subsidieaanvraag plaats in een besluitvormend orgaan aan de hand van het advies van het beoordelingsadviesorgaan en gelet op het beschikbare budget of vastgestelde subsidieplafond en eventuele, tevoren bekendgemaakte beleidsmatige overwegingen.

2.2. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de beoordeling van zijn onderzoeksvoorstel, waarvoor hij de in het geding zijnde subsidieaanvraag heeft ingediend, op onzorgvuldige wijze is geschied, zodat de afwijzing niet op goede gronden is gebaseerd. Hetgeen hij daartoe aanvoert, vormt in essentie een herhaling van hetgeen hij bij de rechtbank reeds naar voren heeft gebracht.

2.2.1. Dat betoog faalt. De vermelde artikelen 2.6 en 2.7 van de Subsidieregeling NWO normeren de wijze waarop de betrokken subsidieaanvragen beoordeeld moeten worden. Het Algemeen Bestuur heeft bij de wijze waarop het aan die beoordelingswijze invulling geeft in de onderscheiden subsidierondes beleidsvrijheid. Dat betekent dat de rechter die invulling slechts terughoudend kan toetsen. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat niet staande kan worden gehouden dat het Algemeen Bestuur niet in redelijkheid tot de in dit geval gekozen procedure heeft kunnen komen. Ook de Afdeling is niet gebleken dat de subsidieaanvraag van appellant niet in overeenstemming met die procedure is behandeld dan wel dat bij de beoordeling van de subsidieaanvraag van appellant anderszins onzorgvuldig zou zijn gehandeld.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Haan, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Haan

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2004

27-420.