Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO9736

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-05-2004
Datum publicatie
19-05-2004
Zaaknummer
200305701/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 december 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (hierna: het college) geweigerd appellant vergunning te verstrekken voor het gedeeltelijk onttrekken van de woonruimte van het pand [locatie] te Haarlem, kadastraal bekend gemeente Haarlem, sectie […], nummer […] (hierna: het pand), aan de woonbestemming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200305701/1.

Datum uitspraak: 19 mei 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 9 juli 2003 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 december 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (hierna: het college) geweigerd appellant vergunning te verstrekken voor het gedeeltelijk onttrekken van de woonruimte van het pand [locatie] te Haarlem, kadastraal bekend gemeente Haarlem, sectie […], nummer […] (hierna: het pand), aan de woonbestemming.

Bij besluit van 22 oktober 2002 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 juli 2003, verzonden op 14 juli 2003, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 22 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op 25 augustus 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 22 september 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 21 oktober 2003 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn bij brief van 12 maart 2004 nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 april 2004, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. P.H. Visser, advocaat te Wormerveer, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.H.L.M. de Dood en A. Staats, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 21 van de Huisvestingsverordening Zuid-Kennemerland (hierna: de verordening) is het, voorzover hier van belang, verboden om zonder onttrekkingsvergunning woonruimte binnen de gemeentegrenzen:

a. geheel of gedeeltelijk aan de woonbestemming te onttrekken. Onder onttrekken wordt verstaan het slopen of het gebruiken voor een ander doel dan permanente bewoning door een huishouden. Onder gedeeltelijk onttrekken wordt verstaan een zodanige onttrekking van woonruimte, dat die woonruimte daardoor niet langer geschikt is voor bewoning door een huishouden van dezelfde omvang als waarvoor deze zonder zodanige onttrekking geschikt is;

b. (…)

c. om te zetten van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte.

Ingevolge artikel 22, eerste lid, van de verordening verleent het college de vergunning als naar zijn oordeel het met de onttrekking, samenvoeging of omzetting gediende belang groter is dan het belang van het behoud of de samenstelling van de woningvoorraad.

Ingevolge artikel 22, derde lid, van de verordening, zoals dit luidde ten tijde van de beslissing op bezwaar, wordt een aanvraag voor onttrekking, samenvoegen of omzetten getoetst aan:

a. de huidige bestemming van de woonruimte;

b. de behoefte aan de te onttrekken woonruimte;

c. het volkshuisvestingsbeleid.

Ingevolge artikel 22, vierde lid, van de verordening, zoals dit luidde ten tijde van de beslissing op bezwaar en voorzover hier van belang, wordt een aanvraag voor een gedeeltelijke onttrekking getoetst aan de verhouding tussen de grootte van de woonruimte en de omvang van het huishouden.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van de Huisvestingswet wordt onder woonruimte verstaan: besloten ruimte die, al dan niet tezamen met een of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een huishouden.

2.2. Appellant heeft in hoger beroep onder meer aangevoerd dat het pand als woning annex bedrijfsruimte moet worden aangemerkt en dat aan hem derhalve niet een vergunning kan worden onthouden voor het gedeeltelijk onttrekken van het pand aan de bestemming bewoning.

2.3. Anders dan appellant meent heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het college op basis van het feitelijk gebruik van het pand zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het gehele pand moet worden aangemerkt als woonruimte en dat er sprake is van onttrekking daarvan voor wat betreft het deel van het pand dat als erotische massagesalon wordt gebruikt. Blijkens de gegevens van het college is het pand in 1908 gebouwd als woonhuis. Omstreeks 1920 is het pand verbouwd tot woning annex winkelpand doordat er op de begane grond ruimte is gemaakt voor een groentewinkel. Nadat de exploitatie van de groentewinkel omstreeks 1970 werd beëindigd is de voormalige winkelruimte blijkens de gegevens van de gemeente weer als woonruimte in gebruik genomen, waarna het gehele pand onafgebroken als woonruimte is gebruikt totdat de voormalige echtgenote van appellant in het pand een massagesalon is gaan exploiteren. Het is de Afdeling niet gebleken dat voornoemde gegevens door het college niet aan de beslissing op bezwaar ten grondslag konden worden gelegd. Appellant heeft met de door hem overgelegde stukken niet aannemelijk gemaakt dat het pand niet sedert omstreeks 1970 feitelijk als woning is gebruikt. Deze stukken geven hetzij de achterhaalde situatie weer van de periode waarin in het pand een groentewinkel was gevestigd, hetzij de situatie nadat het pand door appellant was gekocht en verbouwd ten behoeve van de exploitatie van de erotische massagesalon. Appellant heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat er in de periode na omstreeks 1970 in het pand, zoals dat kadastraal bekend is sinds de splitsing en verkoop in 1997 van de voorheen bij het pand behorende schuur, bedrijfsmatige activiteiten hebben plaatsgevonden. Voorzover appellant heeft gesteld dat het pand mede werd gebruikt als opslag ten behoeve van een elektromotorenbedrijf, is het bedrijfsmatige karakter van die activiteiten, zo die hebben plaatsgevonden, niet aannemelijk gemaakt.

2.4. Het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel dient te falen. De omstandigheid dat door het college aan de voormalige echtgenote van appellant vergunning is verleend voor exploitatie van een massagesalon in het pand leidt niet tot het oordeel dat appellant daaraan het vertrouwen kon ontlenen dat het college het pand niet in zijn geheel zou mogen aanmerken als te zijn bestemd voor woonruimte, reeds nu de exploitatievergunning op 20 december 2002, en derhalve na de beslissing op bezwaar van 22 oktober 2002, is verleend.

Voorts kan, daargelaten de vraag of daadwerkelijk door een ambtenaar van de gemeente zou zijn verklaard dat appellant geen vergunning zou behoeven voor de onttrekking van woonruimte ten behoeve van een massagesalon, deze beweerdelijk gedane mondelinge mededeling er niet toe leiden dat van de zijde van het college de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat een onttrekkingsvergunning zal worden verleend voor het pand, reeds nu de desbetreffende ambtenaar niet belast was met de vergunningverlening inzake woningonttrekkingen.

2.5. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat niet kan worden staande gehouden dat het college, gelet op het tekort aan ruime zelfstandige eengezinswoningen zoals onderhavig pand en de ook voor toekomstige bewoners blijvende uitwerking indien onttrekking van de woonbestemming wordt toegestaan, niet doorslaggevend belang heeft mogen toekennen aan het behoud en de samenstelling van de woningvoorraad boven het economische belang dat appellant heeft bij de exploitatie van de massagesalon.

2.6. Het subsidiaire betoog van appellant dat de gevraagde onttrekking van woonruimte niet kon worden geweigerd, nu het college in de praktijk toestaat dat een vrij beroep aan huis wordt uitgeoefend zonder dat een onttrekkingsvergunning is verleend en nu appellant, die stelt woonachtig te zijn in het pand, een vrij beroep aan huis uitoefent, faalt eveneens. Daargelaten de vraag of de werkzaamheden in de massagesalon als de uitoefening van een vrij beroep dienen te worden aangemerkt, heeft de rechtbank terecht en op goede gronden geoordeeld dat de exploitatie van een massagesalon door de voormalige echtgenote van appellant en het aanstellen van appellant als bedrijfsleider in die massagesalon niet gelijk kan worden gesteld aan het uitoefenen van een vrij beroep aan huis, nu appellant niet zelf het beroep van masseur aan huis uitoefent.

Gelet op het vorenstaande kan het door het college vereisen van een onttrekkingsvergunning voor de onttrekking van woonruimte niet, zoals appellant meent, worden aangemerkt als een ongelijke behandeling van appellant ten opzichte van diegenen die wonen en een vrij beroep uitoefenen in een pand bestemd voor bewoning, en evenmin als het gebruik maken van een bevoegdheid voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend.

2.7. Gelet op het voorgaande is het hoger beroep ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Zwemstra

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2004

91-450.