Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO9727

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-05-2004
Datum publicatie
19-05-2004
Zaaknummer
200304966/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 juni 2003, kenmerk WM2003.10, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan J.G.M. International B.V. een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor de productie en menging van zuren en vloeibare mineralen, alsmede het afvullen van diverse gerelateerde vloeistoffen, op het perceel kadastraal bekend gemeente Emmen, sectie F, nummer 14. Dit besluit is op 1 juli 2003 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200304966/1.

Datum uitspraak: 19 mei 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "J.G.M. International B.V.", gevestigd te Nunspeet, en [appellant], wonend te [woonplaats], [land],

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Emmen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2003, kenmerk WM2003.10, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan J.G.M. International B.V. een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor de productie en menging van zuren en vloeibare mineralen, alsmede het afvullen van diverse gerelateerde vloeistoffen, op het perceel kadastraal bekend gemeente Emmen, sectie F, nummer 14. Dit besluit is op 1 juli 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 25 juli 2003, bij de Raad van State ingekomen op 28 juli 2003, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 20 augustus 2003.

Bij brief van 29 september 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 6 januari 2004. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 april 2004, waar verweerder, vertegenwoordigd door W. Klement en A.A.H. van Noort, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Verweerder heeft gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk is voor zover dat zich keert tegen de voorschriften I.1 en I.6.

Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Appellanten hebben de gronden inzake de aan de vergunning verbonden voorschriften I.1 en I.6 niet als bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Evenmin hebben appellanten bedenkingen tegen het inleidende gedeelte van hoofdstuk L van de vergunningvoorschriften en de voorschriften L.4 en L.15, L.21, L.23 ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellanten redelijkerwijs niet kan worden verweten op deze punten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.2. Appellanten betogen dat hetgeen in de considerans is overwogen met betrekking tot de externe veiligheid niet duidelijk is.

De Afdeling overweegt dat het hier geen voorschrift betreft, maar een passage in de considerans welke niet zelfstandig rechtsgevolgen in het leven roept. Het beroep hiertegen kan niet slagen.

2.3. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Bij de toepassing van artikel 8.11, tweede en derde lid, van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.4. Appellanten betogen dat niet kan worden voldaan aan het aan de vergunning verbonden voorschrift L.8. Hierin is bepaald dat de tanks van het tankenpark in een vloeistofdichte omwalling moeten staan die tegen brand en de eventuele vloeistofdruk bestand is. De gekozen toepassing dient binnen drie maanden na de inwerkingtreding van het bestreden besluit te worden gemeld aan het bevoegd gezag. Appellanten voeren in dit verband aan dat verweerder met de vloeistofdichte omwalling een betonnen bak zou beogen. Deze voorziening is volgens appellanten niet bestand tegen de bij brand vrijkomende chemicaliën. Verder voeren appellanten aan dat de gestelde termijn van drie maanden te kort is.

2.4.1. De Afdeling overweegt dat uit voorschrift L.8 niet de noodzaak voortvloeit om de tanks van het tankenpark in een betonnen bak te plaatsen. Het staat appellanten vrij om ter voldoening aan dit voorschrift een andere voorziening te kiezen. In hetgeen appellanten naar voren hebben gebracht noch anderszins ziet de Afdeling aanknopingspunten voor het oordeel dat niet aan voorschrift L.8 kan worden voldaan. Evenmin ziet de Afdeling, mede gelet op het deskundigenbericht, aanknopingspunten voor het oordeel dat de gestelde termijn van drie maanden te kort is om de voorziening te realiseren. Deze grond kan niet slagen.

2.5. Appellanten betogen dat de voorschriften L.9, L.10, L.12 L. 24 en L.26 onnodig bezwarend zijn en dat de in de voorschriften L.9 en L.10 gestelde termijnen te kort zijn. Ten aanzien van de voorschrift L.9 en L.12 hebben appellanten nog aangevoerd dat verweerder bij brieven van

14 juli 2003 en 1 augustus 2003 onder meer heeft erkend dat deze voorschriften achterhaald zijn. Verder is volgens appellanten de vergunning door middel van deze brieven zonder de daarvoor bestemde wettelijke procedures aangepast.

2.5.1. In voorschrift L.9 is bepaald dat de ammoniak/wateropslag dient te worden gescheiden van de overige opslagen middels een 60 minuten brandwerende scheiding conform NEN 6069.

In voorschrift L.10 is bepaald dat tussen de productiehal en de tankopslag een brandwerende voorziening dient te worden aangebracht die vanuit beide zijden voldoet aan NEN 6069.

In voorschrift L.24 is bepaald dat de productopvangcapaciteit bij de tankopslag tenminste 100% dient te bedragen.

In voorschrift L.26 is bepaald dat de stof zinksulfaat moet worden opgeslagen in een opslaggebouw conform CPR 15-1.

2.5.2. Verweerder heeft blijkens de stukken ter voorkoming dan wel voldoende beperking van de risico’s als gevolg van de opslag van gevaarlijke stoffen de aanbevelingen tot uitgangspunt genomen die in de richtlijnen CPR 15-1 en 15-2 van de Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen voor de opslag van deze stoffen zijn neergelegd. In deze richtlijnen zijn de veiligheidsaspecten uitgewerkt voor onder meer de opslag van gevaarlijke stoffen, in hoeveelheden tot respectievelijk vanaf tien ton. Verder heeft verweerder aansluiting gezocht bij het rapport van Det Norske Veritas N.V, nr. 40000178, van 17 juni 2003, waarin maatregelen zijn aanbevolen ter beperking van de risico’s als gevolg van de opslag van gevaarlijke stoffen binnen de inrichting. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid van deze aanbevelingen konden uitgaan.

2.5.3. De bovengenoemde voorschriften L.9, voorzover daarin is voorgeschreven dat de ammoniak/wateropslag dient te worden gescheiden van de overige opslagen, L.10, L.24 en L.26 stemmen overeen met de aanbevelingen die in de CPR 15-1, CPR 15-2 en het rapport zijn genoemd. Met betrekking tot de in voorschrift L.9 genoemde maximale duur van brandwerendheid van 60 minuten heeft verweerder ter zitting betoogd dat deze mate van brandwerendheid geadviseerd is door de brandweer na een bezoek aan de inrichting. Gelet op de stukken, waaronder het deskundigenbericht, en het verhandelde ter zitting, ziet de Afdeling in hetgeen door appellanten is aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze voorschriften noodzakelijk zijn ter bescherming van het milieu.

Evenmin ziet de Afdeling in hetgeen appellanten naar voren hebben gebracht aanleiding voor het oordeel dat de in de voorschriften L.9 en L.10 gestelde termijnen te kort zijn om de voor de naleving van deze voorschriften nodige voorzieningen te realiseren.

2.5.4. Met betrekking tot de genoemde brieven van 14 juli 2003 en

1 augustus 2002 overweegt de Afdeling dat hieruit niet kan worden afgeleid dat de voorschriften L.9 en L.12 zouden zijn aangepast. Evenmin ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat uit de brieven zou kunnen worden afgeleid dat de voorschriften L.9 en L.12 onnodig bezwarend zijn.

2.6. Appellanten kunnen zich niet verenigen met voorschrift L.19. Naar hun mening is dit voorschrift onduidelijk en niet naleefbaar.

In voorschrift L.19 is bepaald dat brandgevaarlijke stoffen in het gebouw ruimtelijk moeten worden gescheiden van andere stoffen met een afstand van ten minste 3 meter.

De Afdeling ziet in hetgeen appellanten naar voren hebben gebracht noch anderszins aanleiding voor het oordeel dat dit voorschrift onduidelijk is. De Afdeling ziet, gelet op het deskundigenbericht, evenmin grond voor het oordeel dat dit voorschrift niet uitvoerbaar is. Deze grond kan derhalve niet slagen.

2.7. Het beroep, voorzover ontvankelijk, is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voorzover het de gronden inzake de aan de vergunning verbonden voorschriften I.1, I.6, L.4, L.15, L.21 en L.23 en de inleiding van hoofdstuk L van de vergunningvoorschriften betreft;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Van der Maesen de Sombreff

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2004

190-361.