Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO9724

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-05-2004
Datum publicatie
19-05-2004
Zaaknummer
200304716/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 december 1999 heeft de Algemene Directie voor de Arbeidsvoorziening (hierna: de Directie), thans: de Centrale organisatie werk en inkomen (hierna: de CWI) een aanvraag van appellante om verlening van een tewerkstellingsvergunning krachtens de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: twv respectievelijk de Wav) ten behoeve van het verrichten van arbeid in loondienst voor [partij], geboren op […], van [nationaliteit], afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet arbeid vreemdelingen
Wet arbeid vreemdelingen 2
Wet arbeid vreemdelingen 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2004/294
Ars Aequi RV20040070 met annotatie van

Uitspraak

200304716/1.

Datum uitspraak: 19 mei 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 15 mei 2003 in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Centrale organisatie werk en inkomen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 december 1999 heeft de Algemene Directie voor de Arbeidsvoorziening (hierna: de Directie), thans: de Centrale organisatie werk en inkomen (hierna: de CWI) een aanvraag van appellante om verlening van een tewerkstellingsvergunning krachtens de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: twv respectievelijk de Wav) ten behoeve van het verrichten van arbeid in loondienst voor [partij], geboren op […], van [nationaliteit], afgewezen.

Bij besluit van 14 september 2001 heeft de Directie het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de Adviescommissie Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Adviescommissie) van 29 juni 2000, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 15 mei 2003, verzonden op 5 juni 2003, heeft de rechtbank ‘s-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 juli 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 25 augustus 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 maart 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. M.J. van Dam, advocaat te

Capelle aan den IJssel en de CWI, vertegenwoordigd door

mr. J.J.M. van den Boogaard, ambtenaar bij de CWI, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wav is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten, zonder twv.

Ingevolge artikel 3, eerste lid en onder a, is het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wav niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling ten aanzien van wie ingevolge bepalingen, vastgesteld bij overeenkomst met andere mogendheden dan wel bij een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, een twv niet mag worden verlangd.

Ingevolge artikel 9, aanhef en onder d, van de Wav kan een twv worden geweigerd, indien het een niet eerder toegelaten vreemdeling betreft, wiens leeftijd niet valt binnen bij ministeriële regeling gestelde leeftijdsgrenzen.

Ingevolge artikel 1 van het krachtens artikel 22 van de Wav vastgestelde Delegatie- en uitvoeringsbesluit Wet arbeid vreemdelingen (hierna: het Delegatiebesluit), wordt de bevoegdheid inzake het afgeven, verlengen en intrekken van tewerkstellingsvergunningen overgedragen aan de CWI.

Ingevolge artikel 2 van het Delegatiebesluit neemt de CWI bij de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 1 van het Delegatiebesluit, naast de in de Wav, het Besluit ter uitvoering van de Wet arbeid vreemdelingen en in dit besluit gestelde regels, de nadere regels in acht inzake de wijze van toepassing van de Wav zoals die zijn neergelegd in de uitvoeringsregels, behorende bij dit besluit.

Ingevolge artikel 9 van het Delegatiebesluit kan een twv worden geweigerd ten aanzien van een niet eerder toegelaten vreemdeling die jonger is dan 18 jaar of ouder dan 45 jaar.

Volgens paragraaf 2 van de Uitvoeringsregels Wet arbeid vreemdelingen, behorende bij het Delegatiebesluit (hierna: de Uitvoeringsregels), is het uitgangspunt voor de uitvoering van de Wav een consequente toepassing van het restrictieve toelatingsbeleid. Dit houdt in dat in beginsel alle toepasselijke weigeringsgronden, waarin de Wav voorziet, zullen worden tegengeworpen.

Volgens paragraaf 34 van de Uitvoeringsregels, dient indien niet is voldaan aan de gestelde leeftijdsgrens van 45 jaar met op het oog het grotere risico dat in de toekomst een (langdurig) beroep wordt gedaan op de openbare kas in de regel een twv te worden geweigerd, indien sprake is van:

a. een aanvraag om een twv die getoetst wordt aan artikel 8, eerste lid, onder a, van de Wav, en waardoor de vreemdeling recht kan krijgen op de aantekening van de Minister van Justitie als bedoeld in artikel 4 van de Wav en

b. aan het vereiste kwalificatieniveau door personen jonger dan 46 jaar normaliter kan worden voldaan.

2.2. Appellante betoogt in de eerste plaats - in de kern samengevat - dat de Wav beperkingen aanlegt die niet stroken met het beginsel van de vrije scheepvaart op de Rijn in nautische en economische zin. De rechtbank heeft dat miskend.

De Hoge Raad heeft in zijn aan partijen bekende arrest van

9 december 2003 uiteengezet, waarom dit betoog faalt. De Afdeling ziet geen aanleiding dit oordeel van de Hoge Raad niet te volgen.

2.3. Het betoog van appellante ter zitting van de Afdeling dat zij in ieder geval voor een twv voor bepaalde tijd voor de duur van drie jaren minus één dag in aanmerking had behoren te worden gebracht, omdat daarvoor de leeftijdsgrens van 45 jaren niet geldt, dient, wat er van dit betoog overigens ook zij, als tardief te worden gepasseerd.

2.4. Appellante betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de beleidslijn dat een twv kan worden geweigerd ten aanzien van een vreemdeling ouder dan 45 jaar niet kennelijk onredelijk is.

2.4.1. Ook dit betoog faalt. Blijkens de toelichting op paragraaf 34, zoals weergegeven in het besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot wijziging van de Uitvoeringsregels van

17 augustus 2001 (Staatscourant 20 augustus 2001, nr. 159, p. 9) is de leeftijdsgrens van 45 jaar in de Wav opgenomen om te voorkomen dat vreemdelingen langdurig een beroep doen op de openbare kas en dientengevolge langdurig op het bestaansminimum (moeten) leven. Bij oudere vreemdelingen is de kans daartoe groter. Het feit dat zij op hogere leeftijd voor het eerst de Nederlandse arbeidsmarkt betreden, leidt er bijvoorbeeld toe dat zij onvoldoende AOW-rechten opbouwen, waardoor zij na pensionering naar verwachting een beroep moeten doen op aanvullende bijstand, aldus de toelichting.

Gelet hierop, bestaat geen grond voor het oordeel dat de CWI de aanvraag van appellante niet heeft mogen toetsen aan de leeftijdsgrenzen zoals neergelegd in artikel 9 van het Delegatiebesluit en paragraaf 34 van de Uitvoeringsregels.

2.5. Voorts wordt tevergeefs betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de gehanteerde leeftijdsgrenzen niet discriminerend zijn in de zin van artikel 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mensen en de fundamentele vrijheden en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burger- en politieke rechten. Volgens vaste jurisprudentie levert niet ieder onderscheid naar leeftijd discriminatie in de zin van die bepalingen op. Het in een wettelijke regeling maken van onderscheid, ook naar leeftijd, is geoorloofd, indien daarvoor redelijke en objectieve gronden bestaan. Bezien dient dan ook te worden of het op artikel 9, aanhef en onder d, van de Wav gebaseerde onderscheid naar leeftijd op redelijke en objectieve gronden berust. Uit het overwogene in rechtsoverweging 2.4.1. blijkt dat zulks het geval is en van strijd met voornoemde verdragsbepalingen is derhalve geen sprake.

2.6. Appellante betoogt ten slotte dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat appellante onvoldoende heeft aangetoond geen personeel jonger dan 46 jaar te kunnen aantrekken. Daartoe betoogt appellante dat de rechtbank heeft miskend dat zij voldoende wervingsinspanningen heeft verricht.

2.6.1. Dit betoog faalt evenzeer. In hetgeen appellante aanvoert, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de CWI ten onrechte het niet beschikbaar zijn van werknemers jonger dan 46 jaar niet heeft aangenomen. Uit de stukken blijkt slechts van beperkte wervingsactiviteiten, zodat de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat de inspanningen die appellante heeft verricht om werknemers jonger dan 46 jaar aan te trekken als onvoldoende dienen te worden aangemerkt. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken dat aan het vereiste kwalificatieniveau door personen jonger dan 46 jaar niet kan worden voldaan.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L.P. van Os-Ravesloot, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Van Os-Ravesloot

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2004

248-438.