Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO9716

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-05-2004
Datum publicatie
19-05-2004
Zaaknummer
200308100/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 juni 2003, heeft het college van burgemeester en wethouders van Cranendonck het wijzigingsplan [locatie], Budel vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200308100/1.

Datum uitspraak: 19 mei 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Budel,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 juni 2003, heeft het college van burgemeester en wethouders van Cranendonck het wijzigingsplan [locatie], Budel vastgesteld.

Verweerder heeft bij besluit van 9 september 2003, kenmerk 926328, beslist over de goedkeuring van het wijzigingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 3 december 2003, bij de Raad van State ingekomen op diezelfde datum, beroep ingesteld.

Bij brief van 19 februari 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 maart 2004, waar appellant vertegenwoordigd door mr. P.I.M. Houniet, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. H.J.F.M. Verputten zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een wijzigingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voor zover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan kan worden gewijzigd binnen bij het plan te bepalen grenzen. Bij de beslissing omtrent goedkeuring van het wijzigingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven wijzigingsvoorwaarden is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op verweerder de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan bepaalde grenzen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan overigens niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het aan de orde zijnde wijzigingsplan voorziet in een wijziging van het bouwvlak aan de [locatie] te Budel ten behoeve van de bouw van een nieuwe stal.

2.3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder goedkeuring aan het wijzigingsplan onthouden. Verweerder stelt dat hij bij besluit van

20 mei 1988 goedkeuring heeft onthouden aan art. 5, lid A, sub I, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan “Buitengebied”, zijnde de bebouwingsvoorschriften behorende bij de bestemming “Agrarisch gebied (A)” . Deze beslissing was volgens verweerder ingegeven door het feit dat daar waar bouwvlakken zijn gesitueerd binnen agrarische gebieden met meerwaarden, de regeling onvoldoende recht deed aan de verscheidenheid van de diverse bestemmingen.

Verweerder stelt dat de destijds niet goedgekeurde bepalingen als bebouwingsvoorschriften zijn opgenomen in het onderhavige wijzigingsplan. Goedkeuring van het wijzigingsplan zou ertoe leiden dat voorschriften gaan gelden waaraan eerder goedkeuring is onthouden. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het plan om die reden niet binnen de reikwijdte van artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening valt.

2.4. Appellant stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring aan het wijzigingsplan heeft onthouden. Hij voert aan dat het plan voldoet aan de wijzigingsvoorwaarden uit het bestemmingsplan “Buitengebied”. Omdat zijn gronden niet liggen in een gebied met meerwaarden is er volgens appellant geen reden om goedkeuring aan het wijzigingsplan te onthouden. Hij voert voorts aan dat verweerder vergelijkbare wijzigingsplannen wel heeft goedgekeurd.

2.5. Aan de gronden waarop het wijzigingsplan betrekking heeft is in het bestemmingsplan “Buitengebied” de bestemming “Agrarisch gebied (A)” met de aanduiding “primair agrarisch gebied (pr)” toegekend. De gronden maken derhalve geen deel uit van een gebied met meerwaarden.

Artikel 35, lid A, sub c. van de voorschriften van het bestemmingsplan “Buitengebied” geeft een wijzigingsbevoegdheid die voorziet in vergroting of vormverandering van het bouwvlak.

2.6. De Afdeling overweegt dat indien verweerder goedkeuring onthoudt aan de bebouwingsvoorschriften van een bestemming en de gemeenteraad, zoals in dit geval, geen gevolg geeft aan de verplichting ingevolge artikel 30, eerste lid van de Wet op de Ruimtelijke Ordening om een nieuw plan vast te stellen, dit tot gevolg heeft dat voor gronden met deze bestemming geen bebouwingsvoorschriften van kracht zijn.

De Afdeling kan verweerder niet volgen in zijn stelling dat het wijzigingsplan niet valt binnen de reikwijdte van artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Weliswaar wordt de wijziging ingevolge artikel 11, zesde lid van de Wet op de Ruimtelijke Ordening geacht deel uit te maken van het bestemmingsplan “Buitengebied”, doch de in het wijzigingsplan opgenomen bebouwingsvoorschriften hebben alleen betrekking op de gronden aan de [locatie] te Budel. Verweerder heeft niet duidelijk gemaakt waarom, ondanks dat dit bouwvlak geen onderdeel uitmaakt van een agrarisch gebied met meerwaarden, goedkeuring aan dit wijzigingsplan dient te worden onthouden.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

2.7. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 9 september 2003, kenmerk 926328;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Noord-Brabant te worden betaald aan appellant;

IV. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 116,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Voskamp, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Voskamp

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2004

370