Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO9713

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-05-2004
Datum publicatie
19-05-2004
Zaaknummer
200304551/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 februari 2003 heeft de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer (hierna: de RDW) de aan appellante verleende erkenning voor het uitvoeren van periodieke keuringen van motorrijtuigen boven 3500 kg op grond van artikel 87, tweede lid onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 voor een periode van twaalf weken ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200304551/1.

Datum uitspraak: 19 mei 2004.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

"Car Business Total B.V.", gevestigd te Doetinchem,

appellante,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen van 7 juli 2003 in het geding tussen:

appellante

en

de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 februari 2003 heeft de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer (hierna: de RDW) de aan appellante verleende erkenning voor het uitvoeren van periodieke keuringen van motorrijtuigen boven 3500 kg op grond van artikel 87, tweede lid onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 voor een periode van twaalf weken ingetrokken.

Bij besluit van 13 mei 2003 heeft de RDW het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 juli 2003, verzonden op die dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 10 juli 2003, bij de Raad van State ingekomen op 11 juli 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 25 juli 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 9 oktober 2003 heeft de RDW van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 januari 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. R. Visser, advocaat te Den Bosch,

en de Dienst Wegverkeer, vertegenwoordigd door drs. J. Greidanus, gemachtigde, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 87, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de WVW) kan de Dienst Wegverkeer een erkenning intrekken of wijzigen, indien degene aan wie de erkenning is verleend, in strijd met de eisen bedoeld in artikel 75, eerste lid, onderdeel a, van de WVW, of de regels, bedoeld in artikel 76, derde lid, van de WVW, een keuringsbewijs afgeeft voor een motorrijtuig of een aanhangwagen.

Ingevolge artikel 90, eerste lid, van de WVW kan een belanghebbende bezwaar maken of administratief beroep instellen bij de Dienst Wegverkeer tegen een beschikking tot weigering van de afgifte van een keuringsbewijs.

Ingevolge artikel 5, onder d, van de Bekendmaking vaststelling cusumsysteem erkenninghouder-APK levert een plaatsing in de P-klasse voor de derde maal binnen twaalf maanden een grond op om tot intrekking van de erkenning over te gaan. Blijkens bijlage 1 van de Toezichtbeleidsbrief van 1 maart 2000 wordt de erkenning in dat geval voor de duur van twaalf weken ingetrokken.

2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 8 oktober 2003 in zaak no. 200302006/1 (www.raadvanstate.nl), staat tegen de weigering tot afgifte van het keuringsbewijs ingevolge artikel 90, eerste lid, van de WVW bezwaar of administratief beroep bij de Dienst Wegverkeer open, waarbij de in de herkeuring geconstateerde gebreken, de kwalificatie daarvan en de toegekende strafpunten aan de orde kunnen worden gesteld. Nu hiervan geen gebruik is gemaakt, staan de gebreken, de kwalificatie daarvan en de toegekende strafpunten in rechte vast. De voorzieningenrechter heeft dit miskend.

Het betoog van appellante dat de Dienst Wegverkeer het cusumsysteem onjuist heeft toegepast kan dan ook niet slagen.

Ook het betoog van appellante dat eerst bij de horing bekend is geworden hoeveel strafpunten aan haar zijn toegekend, zodat eerst toen duidelijk is geworden wat het rechtsgevolg is van de op 27 januari 2003 door de Dienst Wegverkeer uitgevoerde herkeuring, slaagt niet. De overtreding van de keuringseisen en de daaraan gekoppelde gradatie zijn op het steekproefcontrolerapport, dat ten tijde van de herkeuring door de Dienst Wegverkeer is opgesteld, vermeld. Dit rapport is door de keurmeester van appellante mede ondertekend en aan appellante uitgereikt, zodat het appellante terstond bekend kon zijn hoeveel strafpunten aan haar zijn toegekend.

2.3. Vast staat dat het resultaat van de steekproefherkeuring op 27 januari 2003 ertoe heeft geleid dat appellante voor de derde maal in twaalf maanden in de zogenoemde P-klasse is geplaatst. Gelet op het bepaalde in 5, sub d, van de Bekendmaking vaststelling cusumsysteem Erkenninghouder-Apk was de Dienst Wegverkeer derhalve bevoegd om over te gaan tot de tijdelijke intrekking van de erkenning van appellante.

2.4. Terzake van de duur van de intrekking hanteert de Dienst Wegverkeer een beleid dat is neergelegd in de toezichtbeleidsbrief van 1 maart 2000 (kenmerk VIZ 00/379). Dit beleid behelst een gedifferentieerd systeem van in ernst en gewicht oplopende overtredingen met daaraan gekoppelde, in zwaarte oplopende sancties, waarbij in algemene zin reeds rekening is gehouden met de bedrijfseconomische belangen van erkenninghouders alsmede met hun staat van dienst. Dit beleid is niet onredelijk. De bij het besluit van 13 mei 2003 opgelegde sanctie is in overeenstemming met het gevoerde beleid en is naar het oordeel van de Afdeling niet onevenredig. Daarbij is van belang dat de ernst van de overtreding is gelegen in de omstandigheid dat appellante binnen een periode van twaalf maanden drie maal in de P-klasse is geplaatst. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden aan de zijde van appellante die de Dienst Wegverkeer noopten in afwijking van zijn beleid te beslissen.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden waarop deze berust, te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Bastein, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Bastein

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2004.

13.