Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO9708

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-05-2004
Datum publicatie
19-05-2004
Zaaknummer
200307214/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 december 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Castricum (hierna: het college) vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en bouwvergunning verleend aan [vergunninghouder] voor het verbouwen van een schuur tot opslagruimte/kantoor/berging en het plaatsen van een carport op het perceel [locatie], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nr. […].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200307214/1.

Datum uitspraak: 19 mei 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar van 23 september 2003 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Castricum.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 december 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Castricum (hierna: het college) vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en bouwvergunning verleend aan [vergunninghouder] voor het verbouwen van een schuur tot opslagruimte/kantoor/berging en het plaatsen van een carport op het perceel [locatie], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nr. […].

Bij besluit van 25 april 2003 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 september 2003, verzonden op 23 september 2003, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 29 oktober 2003, bij de Raad van State ingekomen op 31 oktober 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 30 december 2003 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 mei 2004, waar appellant in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Kuijpers-IJmker, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is gehoord [vergunninghouder].

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen, onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge het eerste lid van dit artikel, voor zover hier van belang, wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

2.2. Vaststaat dat het bouwplan in strijd is met het ten tijde van de beslissing op bezwaar ter plaatse als bestemmingsplan geldende “Uitbreidingsplan in onderdelen” omdat het bouwplan buiten het aangewezen bouwvlak valt.

Ten einde niettemin bouwvergunning te kunnen verlenen heeft het college voor het bouwplan vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO verleend. Het college heeft daarbij overwogen dat het bouwplan in overeenstemming is met het voor het gebied waarin het perceel is gelegen door de gemeenteraad op 26 september 2002 vastgestelde bestemmingsplan “d’Enterij Limmen” (hierna: het bestemmingsplan). Bij besluit van 27 mei 2003 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland beslist omtrent de goedkeuring van het plan en goedkeuring verleend aan de aan het perceel toegekende bestemming “Gemengde doeleinden”. Bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 25 februari 2004, no. 200303933/1, is het beroep van appellant tegen het besluit van 27 mei 2003, gedeeltelijk niet-ontvankelijk en ongegrond verklaard. Gelet hierop is het bestemmingsplan inmiddels onherroepelijk van kracht.

2.3. Niet in geschil is dat het ten tijde van het bestreden besluit vastgestelde bestemmingsplan “d’Enterij Limmen” als goede ruimtelijke onderbouwing kan worden aangemerkt.

2.4. Ingevolge artikel 3, eerste lid, en onder d, van bij het bestemmingsplan “d’Enterij Limmen” behorende planvoorschriften zijn de op de kaart voor “Gemengde doeleinden” aangewezen gronden bestemd voor woondoeleinden en bedrijfsactiviteiten, vallend in milieucategorie 1 en 2 van de lijst van toegelaten bedrijfstypen behorende bij de voorschriften van het bestemmingsplan.

Ingevolge het derde lid van artikel 3, voor zover hier van belang, is het college bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in het eerste lid ten behoeve van het toestaan van bedrijven, die in de lijst van toegelaten bedrijfstypen niet, of niet in milieucategorie 1 of 2 zijn opgenomen, maar naar soort en hoedanigheid van werkzaamheden en/of diensten op het punt van (milieu)hinderaspecten vergelijkbaar zijn met bedrijven uit deze milieucategorieën.

2.5. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan “d’Enterij Limmen” en dat ten behoeve van de bedrijfsactiviteiten van [vergunninghouder] vrijstelling als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de planvoorschriften kan worden verleend.

2.6. Appellant betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het bedrijf van [vergunninghouder] vergelijkbaar is te achten met een bedrijf uit de milieucategorie 1 en 2 als bedoeld in de lijst van toegelaten bedrijfstypen. Dit betoog slaagt niet.

Het bedrijf van [vergunninghouder] kan worden aangemerkt als een “reinigingsbedrijf voor gebouwen” en valt in milieucategorie 3 als bedoeld in de lijst van toegelaten bedrijfstypen. Vast staat dat de feitelijke bedrijfsactiviteiten van het bedrijf van [vergunninghouder] bij zijn klanten worden verricht en dat op het vestigingsadres louter administratieve werkzaamheden plaatsvinden.

Uit het door de milieudienst regio Alkmaar op 30 januari 2003 uitgebrachte rapport blijkt dat de hoeveel opgeslagen schoonmaakmiddelen gering is. Voorts wordt in het rapport geconcludeerd dat het bedrijf niet onder de werking van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer valt en eveneens niet de werking van de Wet milieubeheer.

Ook in hoger beroep heeft appellant hiertegenover uitsluitend zijn eigen, niet nader onderbouwde, mening gesteld. Een tegenadvies van een terzake deskundige persoon of instantie ontbreekt.

De voorzieningenrechter is, gelet hierop, terecht tot de conclusie gekomen dat niet aannemelijk is het bedrijf van [vergunninghouder] voor appellant overlast zal veroorzaken die bij een bedrijf als bedoeld in categorie 3 van de lijst van toegelaten bedrijfstypen hoort.

De voorzieningenrechter heeft dan ook terecht het bedrijf van [vergunninghouder] vergelijkbaar geacht met een bedrijf uit de categorie 1 of 2 van de lijst van toegelaten bedrijfstypen.

2.7. Het betoog van appellant dat de voorzieningenrechter geheel voorbij is gegaan aan de overlast die door hem wordt ervaren kan evenmin slagen. De voorzieningenrechter heeft in zijn oordeelsvorming betrokken de beperkte verkeersaantrekkende werking van het bedrijf van [vergunninghouder] alsmede de gevolgen voor het woongenot van appellant. De voorzieningenrechter heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat niet gebleken is van een reële achteruitgang van het woongenot van appellant.

2.8. Met de voorzieningenrechter is de Afdeling verder van oordeel dat niet gezegd kan worden dat het college bij de afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten de gevraagde vrijstelling en bouwvergunning te verlenen.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Steinebach-de Wit

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2004

328.